Handelingen 11:27-30
Toen onze Heere Jezus opgevaren is in de hoogte, heeft Hij den mensen gaven gegeven, Hij gaf niet slechts apostelen en evangelisten, maar profeten, die door den Geest in staat werden gesteld toekomstige dingen te voorzien en te voorzeggen, hetgeen niet alleen strekte ter bevestiging van de waarheid van het Christendom, want al wat deze profeten voorspelden, is geschied, hetgeen bewees, dat zij van God gezonden waren, Deuteronomium 18:22, Jeremia 28:9, maar ook van groot nut was voor de kerk en zeer dienstbaar aan haar bestuur en leiding. Nu hebben wij hier:
I. Een bezoek van sommigen dezer profeten aan Antiochië. vers 27. In die dagen, dat is: in het jaar toen Barnabas en Saulus te Antiochië woonden, kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochië. Er wordt ons niet gezegd hoe velen, en het is niet zeker, of dezen behoorden tot de profeten, die wij later in de gemeente te Antiochië zullen vinden, Hoofdstuk 13:1.
1. Zij kwamen van Jeruzalem, waarschijnlijk omdat zij daar nu niet meer zo in aanzien waren als vroeger. Zij zagen, dat hun werk aldaar in zekeren zin afgedaan was, en vonden dus dat het tijd was om heen te gaan. Jeruzalem is berucht geweest voor haar doden van de profeten en hare mishandeling van hen, en daarom wordt zij nu terecht van deze profeten beroofd.
2. Zij kwamen naar Antiochië, omdat zij van den bloeienden toestand dier gemeente hadden gehoord, en hoopten daar van enigen dienst te kunnen zijn. Aldus behoort een iegelijk gelijk hij gave ontvangen heeft, dezelfde aan anderen te bedienen. Barnabas kwam om hen te vermanen, en daar zij de vermaning goed hebben aangenomen, zijn hun nu profeten gezonden, om hun, naar Christus' belofte, Johannes 16:13, toekomende dingen te verkondigen. Aan hen, die getrouw zijn in weinig, zal meer toevertrouwd worden, Het beste begrijpen van de voorzeggingen der Schrift kan verkregen worden in den weg van gehoorzaamheid aan de instructies der Schrift.
II. Ene bijzondere voorzegging van een naderenden hongersnood door een van deze profeten, wiens naam was Agabus, die later ook de gevangenneming van Paulus heeft voorzegd, Hoofdstuk 21:10. Hier stond hij op, waarschijnlijk in een hunner openbare bijeenkomsten, en profeteerde, vers 28. Merk op:
1. Van waar hij zijne profetie had. Wat hij zei had hij niet uit zich zelven, het was geen gril van zijne verbeelding, en het was ook gene astronomische voorzegging, of gene gissing naar aanleiding van tegenwoordige werkingen van ondergeschikte oorzaken, maar hij gaf te kennen door den Geest - den Geest der profetie -dat er een grote hongersnood zou wezen, gelijk Jozef, door den Geest bekwaam gemaakt zijnde om Farao's dromen te begrijpen, den hongersnood in Egypte, en Elia den hongersnood in Israël in Achabs tijd heeft voorzegd. Aldus heeft God Zijne verborgenheden aan Zijne knechten, de profeten, bekend gemaakt.
2. Waarin de profetie bestond, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld, dat door ongunstig weer het koren schaars en duur zou zijn, zodat velen van de armen broodsgebrek zouden lijden en omkomen. En dit zou niet in een enkel land wezen, maar over de gehele wereld, het gehele Romeinse rijk, dat zij, evenals Alexander voor hen, in hun hoogmoed de wereld noemen. Christus had in het algemeen voorzegd, dat er hongersnoden zullen zijn, Mattheus 24:7 :Markus 13:8, Lukas 21:11. Maar Agabus voorspelde een merkwaardigen hongersnood, die weldra zou komen.
3. De vervulling er van: dewelke ook gekomen is onder den keizer Claudius. Hij begon in het tweede jaar van zijne regering, en hield aan tot in het vierde, zo niet langer, verscheidene Romeinse geschiedschrijvers maken er melding van, evenals ook Josephus. God had hun het brood des levens gezonden, en zij hadden het verworpen, zij walgden van den overvloed van dat manna, en daarom heeft God rechtvaardiglijk den staf des broods gebroken en hen met hongersnood gestraft, en hierin was Hij rechtvaardig. Zij waren onvruchtbaar en hebben Gode niets voortgebracht, en daarom heeft God de aarde onvruchtbaar gemaakt voor hen.
III. Het goede gebruik, dat zij van deze voorzegging hebben gemaakt. Toen hun gezegd was, dat een hongersnood aanstaande was, hebben zij niet, evenals de Egyptenaren, koren opgegaard voor zich zelven, maar, gelijk het Christenen betaamt, hebben zij opgegaard om liefdadigheid te kunnen bewijzen aan anderen, hetgeen de beste voorbereiding is voor ons eigen lijden en gebrek. Aan hen, die zich verstandiglijk gedragen jegens de ellendigen, is beloofd, dat God hen zal bewaren en bij het leven behouden, en zij zullen op aarde gelukzalig gemaakt worden, Psalm 41:1, 2. En zij, die zich ontfermen en geven, zullen niet beschaamd worden in den kwaden tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden, Psalm 37:19, 21. De beste voorraad, dien wij kunnen opleggen tegen dure tijden, is deel te hebben aan de beloften, dit deel op te leggen door goed doen en mededeelzaam te zijn, Lukas 12:33. Velen geven het als een reden op, waarom zij spaarzaam moeten zijn, maar de Schrift geeft het als ene reden, waarom wij vrijgevig moeten zijn aan zeven, ja ook aan acht, dat wij niet weten wat kwaad op de aarde wezen zal. Prediker 11:2. Merk op:
1. Wat zij besloten: dat een iegelijk, naar dat hij vermocht, iets zou zenden ten dienste der broederen, die in Judea woonden, vers 29.
a. De personen, die hun bevolen waren om barmhartigheid aan te bewijzen, waren de broederen, die in Judea woonden. Ofschoon wij, als wij er de gelegenheid toe hebben, goed moeten doen aan allen, behoren wij toch de huisgenoten des geloofs het meest in aanmerking te nemen, Galaten 6:10. Gene armen moeten veronachtzaamd worden, maar Gods armen moeten zeer bijzonder verzorgd worden. Hoe iedere bijzondere gemeente voor hare eigene armen moet zorgen, is ons geleerd door het voorbeeld van de eerste gemeente te Jeruzalem, waar die verzorging zo gestadig was, dat niemand gebrek leed, Hoofdstuk 4:34. Maar de gemeenschap der heiligen wordt hier nog verder uitgebreid, zodat de kerk te Antiochië voorziening heeft gemaakt voor hulp en ondersteuning aan de armen in Judea, die zij hun broederen noemden. Het schijnt onder de Joden in de verstrooiing gewoonte te zijn geweest, geld te zenden aan de Joden, die in Judea woonden, ter ondersteuning van de armen onder hen, en voor dat doel collecten te houden. Tullius spreekt van zo iets in zijn tijd, (Orat. pro Flacco,) hetgeen doet veronderstellen, dat er in Judea vele armen waren, meer dan in andere landen, zodat de rijken onder hen niet in staat waren om den last te dragen van hen voor den hongerdood te bewaren hetzij omdat hun land onvruchtbaar was geworden, hoewel het vroeger een vruchtbaar land geweest is, om de boosheid dergenen, die daarin woonden, of omdat zij geen handel dreven met andere volken. Nu kunnen wij veronderstellen, dat de meesten van hen, die in dat land Christenen werden, de armen zijn geweest, (Mattheus 11:5. Den armen werd het Evangelie verkondigd) en ook, dat de armen, als zij Christenen werden, uit het armenboek geschrapt werden, uitgesloten van hun deel in de openbare liefdadigheid, en het was licht te voorzien, dat, als er hongersnood kwam, zij er zeer slecht aan toe zouden zijn. Indien nu iemand hunner zou omkomen van gebrek, zou dat een grote smaad wezen voor de Christelijke belijdenis, en daarom werden op het bericht van den naderenden hongersnood dadelijk maatregelen genomen om hun reeds te voren levensmiddelen, of geld om ze te kopen, te zenden, want, indien zij er mede wachtten totdat de hongersnood er was, dan zou het te laat kunnen zijn.
b. De overeenkomst hieromtrent onder de discipelen, dat een iegelijk, naar dat hij vermocht, zou bijdragen tot dat goede werk. De Joden in den vreemde zijn rijk geworden door den handel, en velen van die rijke Joden zijn Christenen geworden, wier overvloed het gebrek behoorde te vervullen van hun arme broederen, die op verren afstand woonden, want aan den nood van de zodanige moet ook gedacht worden, evengoed als aan den nood van hen, die onder ons wonen. Liefdadige mensen doen handel met hetgeen God hun heeft gegeven, en de kooplieden vinden er hun rekening bij om goederen naar verre landen te zenden, en zo behoren ook wij te doen in het geven van aalmoezen aan hen, die verre zijn, en ze nodig hebben, en dus ijverig hierin zijn, als wij er toe geroepen worden. Een iegelijk besloot iets te zenden, meer of minder, naar dat hij vermocht, wat hij kon missen van hetgeen hij nodig had om zijn eigen gezin te onderhouden, en naarmate hij welvaren verkregen heeft. Wat gezegd kan worden naar ons vermogen te zijn, daarover moeten wij zelven oordelen, maar dan wèl zorg dragen een rechtvaardig oordeel te oordelen.
2. Wat zij deden: zij deden wat zij besloten hadden, vers 30, hetwelk zij ook deden. Zij hebben er niet slechts over gesproken. zij hebben het gedaan. Menig goed besluit van dien aard wordt genomen, en dan geprezen, maar het wordt niet ten uitvoer gebracht en zo loopt het dan op niets uit. Maar aan dit besluit werd gevolg gegeven, de inzameling werd gehouden, en de opbrengst er van was zo aanzienlijk, dat zíj het der moeite waard achtten om Barnabas en Saulus naar Jeruzalem te zenden, ten einde het bedrag aan de ouderingen aldaar te overhandigen, hoewel zij dan intussen van hun arbeid te Antiochië verstoken zouden zijn. Zij zouden het:
a. Aan de ouderlingen, de presbyters, de Evangeliedienaren of herders van de gemeenten in Judea, om door hen uitgedeeld te worden overeenkomstig de behoeften der ontvangers, gelijk het bijgedragen werd overeenkomstig het vermogen der gevers.
b. Het werd gezonden door de hand van Barnabas en Saulus, die wellicht ene gelegenheid wensten te hebben om naar Jeruzalem te gaan, en daarom gaarne deze gelegenheid aangrepen. Josephus verhaalt dat koning Irates toen zijne liefdegaven gezonden heeft aan de voornaamsten van Jeruzalem voor de armen van dat land, en Helena, koningin van de Adiabeni, die zich toen te Jeruzalem bevond en vernam, dat velen aldaar en in de omliggende landstreek van honger stierven, zond om levensmiddelen naar Cyprus en Alexandrië, en deelde ze uit onder het volk, zegt Dr. Lightfoot, die ook uitrekent naar den tijd van Paulus' verrukking "veertien jaren voor hij den tweeden brief aan de Corinthiërs schreef", 2 Corinthiërs 12:1, 2, dat het op deze reis naar Jeruzalem was om die aalmoezen en offeranden te brengen, dat hij in den tempel die vertrekking van zinnen had, waarvan hij spreekt in Hoofdstuk 22:17, en in die vertrekking van zinnen in den derden hemel opgetrokken is geweest, en toen was het, dat Christus hem zei, dat Hij hem van daar naar de Heidenen zou zenden, hetgeen Hij ook dienvolgens gedaan heeft zodra hij weer te Antiochië was gekomen. Het is in buitengewone omstandigheden gene verkleining voor de bedienaren van het Evangelie om de boden te zijn, die de liefdegaven der gemeente overbrengen, hoewel de voortdurende zorg voor zulke zaken over het algemeen hen te veel zou afleiden van het noodzakelijker werk, die er zich toe begeven hebben om te volharden in het gebed en de bediening des woords.