Prediker 11:1-6
Salomo had in dit boek er dikwijls bij de rijken op aangedrongen om het aangename van de rijkdom voor zichzelf te nemen, hier spoort hij hen aan om er goed mee te doen aan anderen en zeer milddadig te zijn jegens de armen, hetgeen later zeer voordelig voor henzelf zal uitkomen.
Merk op:
I. Hoe die plicht zelf ons wordt aanbevolen, vers 1.
1. Werp uw brood uit op het water, uw broodkoren op de lage plaatsen, zo verstaan het sommigen in toespeling op de landman, die het zaad draagt, het broodkoren uitdragende van zijn gezin voor zijn zaaitijd, wetende dat hij anders in het volgende jaar geen oogst kan hebben, zo neemt de liefdadige van zijn broodkoren voor zaadkoren, bekrimpt zich om de armen te voorzien, ten einde aan alle wateren te zaaien, Jesaja 32. 20, omdat hij maaien zal wat hij gezaaid heeft, Galaten 6:7. Wij lezen van de oogst van de rivier, Jesaja 23:3. Wateren worden in de Schrift genomen voor grote menigten, Openbaring 16:5, en daar zijn menigten van armen, wij hebben geen gebrek aan voorwerpen van barmhartigheid, wateren worden ook genomen voor rouwbedrijvenden, de armen zijn mensen van smarten. Gij moet brood geven, het nodige levensonderhoud, niet alleen goede woorden geven, maar ook goede dingen Jesaja 58:7. Het moet uw brood zijn, waar gij eerlijk aangekomen zijt, het is geen barmhartigheid, maar onrecht, om te geven wat het onze niet is om te geven, doe eerst recht, en heb dan barmhartigheid lief. Uw brood, dat gij voor uzelf bestemd haat, laat de armen het met u delen, zoals zij het met Job gedeeld hebben, Job 31:17. Geef mild aan de armen, hoewel het de schijn kan hebben van weggeworpen en verloren te zijn, zoals hetgeen men op het water werpt. Stuur het op reis, zend het uit op goed geluk, zoals kooplieden, die handel drijven op zee vertrouw het toe aan het water, het zal niet zinken."
2. Geef een deel aan zeven, ja ook aan acht, wees vrijgevig in werken van liefdadigheid.
a. "Geef veel, zo gij veel hebt te geven, geen klein beetje, maar een deel, geen klein stukje maar een maal eten, geef een ruim deel, geen karig deel, geef een goede maat, Lukas 6:38. wees edelmoedig in het geven, zoals zij het waren, die op feestdagen delen zonden aan hen, voor wie niets bereid was, Nehemia 8:10, waardige delen."
b. "Geef aan velen, aan zeven, ja ook aan acht, indien gij zeven voorwerpen van barmhartigheid ontmoet, geef hun allen, en dan, als gij een achtste ontmoet, geef ook daaraan, en als gij nog acht ontmoet, geef ook aan die allen. Verontschuldig u er niet mede, dat gij al goed gedaan hebt, om van het goed, dat gij nog verder te doen hebt, af te komen, maar ga voort en doe steeds meer goed. Als in zware tijden het aantal armen toeneemt, laat dan uw liefdadigheid naar evenredigheid verruimd worden." God is rijk in barmhartigheid over ons allen, hoewel wij onwaardig zijn, Hij geeft mild en verwijt niet, verwijt ons Zijn vroegere gaven niet, en wij moeten barmhartig zijn gelijk onze hemelse Vader barmhartig is.
II. De redenen, waarmee op die plicht bij ons wordt aangedrongen. Bedenk:
1. Dat ons loon voor weldoen zeer gewis is. Hoewel gij het uitwerpt op het water en het verloren schijnt te zijn, hoewel gij denkt dat gij uw goed woord er mee gegeven hebt, en er waarschijnlijk nooit meer van zult horen, zult gij het toch vinden na vele dagen zoals de landman zijn zaad in een overvloedige oogst weervind, en de koopman zijn goederen op zee in een rijke winst. Het is niet verloren, maar goed besteed en goed opgelegd, het levert goede interest op in de tegenwoordige gaven van Gods voorzienigheid, en genade en vertroostingen van Zijn Geest, en het kapitaal is veilig opgelegd in de hemel, want het is de Heer geleend." Seneca, een heiden, kon zeggen: Nihil magis possidere me credam quam bene donato Niets bezit ik zo volkomen als hetgeen ik weggegeven heb. Hoc habeo quod cunque dedi, hae sunt divitiae cartae in quacunque sorfis humanae levitate". -Al wat ik meegedeeld heb, bezit ik nog, deze rijkdom blijft mij bij in al de wisselvalligheden van het leven. "Gij zult het vinden, misschien niet spoedig, maar na vele dagen, de vergelding kan langzaam zijn, maar zij is zeker, en zal zoveel te meer ruim en overvloedig zijn." Tarwe, het oostelijkste graan, ligt het langst in de grond. Lange zeereizen leveren het meeste voordeel op.
2. Onze gelegenheid om wel te doen is zeer onzeker: "Gij weet niet wat kwaad op de aarde wezen zal, dat u beroven kan van uw goed en u buiten staat zal stellen om goed te doen. wees dus zolang gij kunt vrijgevig, maak gebruik van de tegenwoordige gelegenheid, zoals de landman de geschikte tijd gebruikt om zien zaad te zaaien, eer de vorst invalt." Wij hebben reden om kwaad te verwachten op de aarde, want wij worden tot moeite geboren, wat het kwaad wezen zal weten wij niet, maar opdat wij, waarin het ook moge bestaan, er gereed voor zullen wezen, is het onze wijsheid om ten dage van voorspoed goed te doen. Velen maken hiervan gebruik als een argument tegen het geven aan de armen, daar zij niet weten welke moeilijke tijden komen kunnen waarin zijzelf in nood zullen zijn, terwijl wij juist daarom barmhartig moeten zijn, opdat wij als de kwade dagen komen de troost kunnen hebben van goed gedaan te hebben, toen wij er toe instaat weten, wij zouden dan hoop kunnen hebben, om bij God en de mensen barmhartigheid te zullen vinden, en daarom moeten wij nu barmhartigheid betonen. Indien wij door barmhartigheid aan God toevertrouwen wat wij hebben, dan leggen wij het in goede handen tegen deze slechte tijden.
III. Hoe hij de tegenwerpingen voorkomt, die aangevoerd zouden kunnen worden tegen deze plicht, evenals de verontschuldigingen van de onbarmhartigen.
1. Sommigen zullen zeggen dat wat zij hebben van hun is, en zij het hebben voor hun eigen gebruik, en zij zullen vragen: Waarom zouden wij het aldus op het water werpen? Waarom zou ik mijn brood en mijn geslacht vlees nemen, om het te geven aan ik weet niet wie Aldus Nabal, 1 Samuël 25:11. Zie op, mens, en bedenk hoe spoedig gij verhongerd zou zijn op een onvruchtbare grond, indien de wolken boven u aldus zouden spreken, zouden zeggen dat zij hun water voor zichzelf hebben, maar gij ziet, als zij vol zijn, dan storten zij plasregen uit op de aarde, om haar vruchtbaar te maken, totdat zij vermoeid zijn van haar te bevochtigen, Job 37:11. Is de hemel aldus milddadig voor de arme aarde, die zo ver beneden hem is, en zult gij er tegenzin in hebben om milddadig te zijn jegens uw armen broeder, die been is van uw heen? Of aldus: Sommigen zullen zeggen: hoewel wij slechts weinig geven aan de armen, hebben wij toch, God zij dank, even barmhartig een hart, als wie ook. Neen, zegt Salomo, indien de wolken vol van regen zijn, dan ontladen zij zich, als er barmhartigheid is in het hart, dan zal zij zich tonen, Jakobus 2:15, 16. Hij, die zijn ziel opent voor de hongerige, zal naar zijn vermogen zijn hand tot hem uitstrekken.
2. Sommigen zullen zeggen dat hun sfeer van werkzaamheid eng is, zij kunnen het goed niet doen dat anderen doen, die een openbaar ambt bekleden, en daarom zitten zij stil en doen niets. Neen, zegt hij, in de plaats waar de boom valt, of waar hij is, daar zal hij wezen, ten voordele van hen aan wie hij behoort, iedereen moet er naar streven om een zegen te zijn voor die plaats, waar zij ook zijn moge waar hij door Gods voorzienigheid gesteld is, waar wij ook zijn, overal kunnen wij goed werk te doen vinden, zo wij slechts een hart hebben om het te doen. Of aldus: Sommigen zullen zeggen: Velen stellen zich voor als voorwerpen van barmhartigheid, die onwaardig zijn, en ik weet niet aan wie het goed en gepast is iets te geven. "Bekommer u daar niet om," zegt Salomo, Geef met zoveel wijsheid en voorzichtigheid als gij kunt, en wees er dan van overtuigd dat al zou de persoon uw liefdadigheid ook onwaardig zijn, gij toch, zo gij geeft met een oprecht hart, uw loon niet zult verliezen, naar welke zijde de barmhartigheid ook wordt aangewend, naar het noorden of naar het zuiden het voordeel ervan zal voor u wezen." Dit wordt meestal toegepast op de dood, laat ons goed doen, en als goede bomen de vruchten van de gerechtigheid voortbrengen, omdat weldra de dood zal komen en ons zal afhouwen, en dan komen wij in een onveranderlijke toestand van gelukzaligheid of van rampzaligheid naar wat wij in het lichaam gedaan hebben. Waar de boom bij de dood valt, daar zal hij waarschijnlijk in alle eeuwigheid blijven liggen.
3. Sommigen zullen de vele ontmoedigingen aanvoeren, die zij in het beoefenen van de liefdadigheid hebben ondervonden, zij zijn er om gesmaad geworden als trots en Farizees, zij hebben slechts weinig om te geven, en dan worden zij veracht als zij niet geven zoals anderen geven, zij weten niet of hun kinderen er niet toe zullen komen om het nodig te hebben, en dus zouden zij beter doen met het voor hen op te leggen, zij hebben belastingen te betalen en moeten aankopen doen, zij weten niet welk gebruik er van hun liefdegaven gemaakt zal worden, noch welke uitleggingen aan gegeven zal worden, deze en honderd andere dergelijke tegenwerpingen beantwoordt hij met een woord, vers 4. Wie op de wind acht geeft die zal niet zaaien, hetgeen betekent goed doen, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien, hetgeen betekent goed ontvangen. Als wij aldus iedere kleine moeilijkheid staan te vergroten, alles van de slechtste zijde bezien met tegenwerpingen aankomen, ons moeilijkheid en gevaar voorstellen waar geen is, dan zullen wij nooit voortgaan met ons werk en nog minder er door heenkomen, of er iets goeds van maken. Indien de landman om iedere windvlaag of iedere voorbijdrijvende wolk zou weigeren te zaaien of met zaaien zou ophouden dan zou zijn landbouwbedrijf hem weinig voordeel opleveren. De plichten van de godsdienst zijn even noodzakelijk als zaaien en oogsten en strekken evenzeer tot ons eigen voordeel, de ontmoedigingen, die wij bij het volbrengen van die plichten ontmoeten, zijn slechts als winden en wolken, die ons geen kwaad zullen doen, en die zij, die een weinig moed en vastberadenheid hebben, zullen verachten en gemakkelijk teboven komen. Zij, die zich door kleine en schijnbare moeilijkheden van grote en wezenlijke plichten laten terughouden, zullen nooit iets tot stand brengen in de godsdienst, want er zal altijd de één of andere wind, de één of andere wolk opkomen, in onze verbeelding tenminste, om ons te ontmoedigen. Winden en wolken zijn in Gods hand, zij zijn bestemd tot onze beproeving, en ons Christendom verplicht ons beproevingen te verduren.
4. Sommigen zullen zeggen: "Wij zien niet op welke wijze hetgeen wij uitgeven in liefdadigheid ons ooit vergoed kan worden, wij bevinden niet dat wij er te rijker om zijn, waarom zouden wij afgaan op de algemene belofte van een zegen over de barmhartigen, als wij niet zien op welke wijze wij er de werking van kunnen verwachten?" Hierop antwoordt hij: "Gij weet het werk Gods niet, en het betaamt ook niet dat gij het zou weten, gij kunt er zeker van zijn dat Hij Zijn woord van belofte gestand zal doen, hoewel Hij u niet zegt hoe of op wat wijze, en hoewel Hij werkt op Zijn eigen wijze naar de raad van Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, Hij zal werken en niemand zal Hem hinderen, en niemand zal Hem besturen of Hem voorschrijven hoe Hij moet werken, de zegen zal onmerkbaar werken, onmerkbaar maar onweerstaanbaar, Gods werk zal gewis in overeenstemming zijn met Zijn woord, of wij het zien of niet zien. Hij toont onze onwetendheid van het werk Gods in twee voorbeelden. a. Wij weten niet welke de weg is van de geest of van de wind, aldus sommigen, wij weten niet vanwaar hij komt, of waar hij heengaat, of wanneer hij zal draaien, toch liggen de zeelieden er op te wachten, dat hij zich tot hun gunste zal keren, aldus moeten wij onze plicht doen in afwachting van de bestemde tijd voor de zegen. Of het kan verstaan worden van de menselijke ziel, wij weten dat God ons gemaakt heeft, en ons deze ziel heeft gegeven, maar hoe zij in het lichaam is gekomen, er mee verenigd is, het bezielt en er op werkt, weten wij niet, de ziel is een verborgenheid op zichzelf, geen wonder dus dat het werk Gods dit voor ons is.
b. Wij weten niet hoedanig de beenderen zijn in de schoot van een zwangere vrouw, wij kunnen de manier niet beschrijven hetzij van de formering van het lichaam, of hoe het lichaam en de ziel verenigd zijn geworden, wij weten dat beide het werk Gods zijn en wij berusten in Zijn werk, maar in geen van beide kunnen wij het proces van de werking nagaan. Wij twijfelen niet aan de geboorte van het kind, dat ontvangen is, hoewel wij niet weten hoe het geformeerd is, noch behoeven wij te twijfelen aan de vervulling van de belofte, hoewel wij niet zien hoe de dingen daartoe werken. En wij kunnen wel op God vertrouwen om voor ons te voorzien in hetgeen ons nuttig en nodig is zonder dat wij er in onrust en zorg over zijn en ons daarin te betonen voor onze barmhartigheid, daar het toch zonder enige kennis of overleg is van ons, dat ons lichaam in het verborgene gemaakt was, en onze ziel vond de weg er in. En zo is het argument hetzelfde, en heeft dezelfde strekking als dat van onze Heiland, Mattheus 6:25, het leven, de levende ziel, die God ons gegeven heeft, is meer dan het voedsel, het lichaam, dat God ons gemaakt heeft, is meer dan de kleding, laat ons dus op Hem, die het meerdere voor ons gedaan heeft blijmoedig vertrouwen, om ook het mindere voor ons te doen.
5. Sommigen zeggen: "Wij zijn barmhartig geweest, hebben veel aan de armen gegeven en hebben er nooit enigerlei beloning voor ontvangen, er zijn vele dagen voorbijgegaan meer wij hebben het niet weer gevonden." Waarop hij antwoordt, vers 6 :"Ga toch maar voort, volhard in goeddoen, laat geen gelegenheid voorbijgaan. Maai uw land in de morgenstond op de voorwerpen van barmhartigheid die zich vroeg aan u voordoen, en trek uw hand des avonds niet af onder voorwendsel dat gij moe zijt, doe goed naar gij er de gelegenheid toe hebt, doe het op de ene of andere wijze de gehele dag, zoals de landman zijn zaaisel volgt van de morgen tot de avond. In de morgenstond van de jeugd beijver u om goed te doen, geef uit van het weinige dat gij hebt om er de wereld mee te beginnen, en in de avond van de oude dag, geef niet toe aan de gewone verzoeking van oude lieden om vrekkig te zijn, trek ook dan uw hand niet af, en denk niet dat gij u verontschuldigd kunt houden van barmhartigheid te beoefenen, omdat gij u voorneemt liefdadige werken te bevorderen door uw testament, maar doe goed tot het einde toe, want gij weet niet welk werk van barmhartigheid en godsvrucht recht zal wezen, voorspoedig zal zijn, beide met betrekking tot anderen en met betrekking tot uzelf, dit of dat, maar gij hebt reden om te hopen dat die beide tezamen goed zullen zijn. Vertraag niet in goeddoen, want wanneer het tijd is, op Gods tijd en dat is de beste tijd, zult gij oogsten, Galaten 6:9. Dit is van toepassing op geestelijke barmhartigheid, onze godvruchtige pogingen voor het goede van de zielen van anderen, laat ons daarmee voortgaan, want hoewel wij lang tevergeefs gearbeid hebben, kunnen wij er toch ten slotte het welslagen van zien. Laat leraren in hun zaaitijd, beide des morgens en des avonds zaaien, want wie kan zeggen wat voorspoedig zal zijn?