Jozua 22:30-34
Wij hebben hier het goede einde van deze twist, die, indien er niet aan beide zijden een gezindheid was voor vrede, zoals eraan beide zijden ijver was voor God, slechte gevolgen gehad zou kunnen hebben, want wegens gebrek aan wijsheid en liefde blijken Godsdiensttwisten dikwijls het heftigst en het moeilijkst bij te leggen. Maar toen de zaak eerlijk en openhartig was voorgesteld, waren deze strijdende partijen zo gelukkig van elkaar volkomen te verstaan en zo was het geschil terstond bijgelegd.
1. De gezanten waren ten uiterste voldaan toen de afgezonderde stammen hun de betuiging deden van hun onschuld in de bedoeling waarmee zij dit altaar gebouwd hebben.
a. De gezanten hebben de oprechtheid van hun betuiging niet in twijfel getrokken, niet gezegd: "Gij verklaart ons dat gij niet bedoelt, op dit altaar brandoffers en offeranden te brengen maar wie kan u geloven? Welken waarborg kunt gij ons geven, dat het nooit daartoe gebruikt zal worden?" Neen, "de liefde gelooft alle dingen, en hoopt alle dingen," gelooft en hoopt het beste, en is er zeer afkerig van om iemand te logenstraffen.
b. Zij hebben hun geen verwijten gemaakt wegens het overhaastige en onvoorzichtige van hun daad, zeiden hun niet: "Indien gij zo iets en met zo goede bedoeling hebt willen doen, dan hadt gij toch wel die eerbied voor Jozua en Eleazar kunnen hebben, om hun raad hieromtrent in te winnen, of er hen tenminste bekend mee kunnen maken, en zo zoudt gij ons de moeite en onkosten van dit gezantschap bespaard hebben." Een weinigje gebrek aan nadenken en aan goede manieren moeten verontschuldigd en voorbijgezien worden in hen van wie wij reden hebben te geloven, dat zij eerlijke bedoelingen hebben.
c. En nog veel minder hebben zij gepoogd om naar de bewijzen te zoeken, om hun beschuldiging waar te maken, integendeel, zij waren blij om hun vergissing hersteld te zien en schaamden zich volstrekt niet om dit te erkennen. Mensen van een hoogmoediger en wreveliger aard zullen, als zij een onrechtvaardig oordeel over hun broederen hebben uitgesproken, er bij blijven, al worden hun ook nog zulke overtuigende bewijzen getoond van het onrechtvaardige er van, en kunnen er niet toe bewogen worden om het terug te nemen. Deze gezanten waren niet aldus bevooroordeeld, de verdediging hunner broederen deed hun genoegen, vers 30. Zij beschouwden hun onschuld als een teken van Gods tegenwoordigheid onder hen, vers 31, inzonderheid toen zij bevonden dat hetgeen zij gedaan hadden wel verre van een aanduiding te zijn, dat zij koel en koud waren geworden voor het altaar Gods, integendeel de vrucht bleek te zijn van hun vurige liefde er voor, gijlieden hebt de kinderen Israëls verlost uit de hand des Heeren, dat is: "Gij hebt hen niet, zoals wij vreesden, overgeleverd in de hand des Heeren, of hen door de overtreding, die wij vreesden, aan Zijn oordelen blootgesteld.
2. De vergadering was volkomen voldaan toen haar gezanten de tijding brachten van de verdediging van de broederen. Zij schijnen bij elkaar gebleven te zijn, tenminste door hun vertegenwoordigers totdat zij de uitslag vernamen, vers 32. En toen zij de waarheid hoorden van de zaak, was het goed in hun ogen, vers 33, en loofden zij God. De standvastigheid van onze broederen in de Godsdienst hun ijver voor de kracht van de Godzaligheid en hun blijven in de eenheid des Geestes in geloof en liefde, in weerwil van de achterdochtige vrees, die gekoesterd werd van hen, alsof zij de eenheid van de kerk verbraken, dat zijn dingen waarover wij zeer blij en voldaan behoren te wezen, en die wij tot een reden van blijde dankzegging aan God moeten beschouwen, laat God er de eer voor ontvangen, en laat het ons tot een lieflijke vertroosting zijn. Aldus voldaan zijnde, legden zij terstond de wapens neer en zo verre was thans de gedachte van hen om de voorgenomen strijd te beginnen tegen hun broederen, dat wij kunnen veronderstellen, dat zij verlangend uitzagen naar het volgende feest, waarop zij hen te Silo hoopten te ontmoeten.
3. De begeerte van de afgezonderde stammen werd ingewilligd. Daar zij dit model van het altaar Gods bij zich wensten te hebben, hebben Jozua en de oversten het hun toegestaan, al was het niet waarschijnlijk, dat zich: ooit de gelegenheid zou voordoen, die zij vreesden, en waarvoor het dan dienst zou moeten doen. Daarom hebben Jozua en de oversten geen orders gegeven om het af te breken, hoewel er evenveel reden was om te vrezen, dat het in vervolg van tijd een aanleiding zou kunnen wezen tot afgoderij, als er reden was te hopen dat het voor afgoderij zou bewaren. Aldus hebben zij, die sterk waren, de zwakheden van de onsterken gedragen. Alleen werd er zorg voor gedragen, dat de verklaring, die zij gaven, dat hun altaar alleen bedoeld was tot een getuigenis van hun gemeenschap met het altaar te Silo, als het ware geregistreerd zou worden, hetgeen dan ook, naar de gewoonte van die tijd, geschiedde, door er een naam aan te geven, die deze betekenis kenbaar maakte vers 34. Zij noemden het "eed", een getuige, daarvoor, en niets meer. Een getuige, van de betrekking, waarin zij stonden tot God en Israël, en van hun vereniging met de andere stammen in hun gemeenschappelijk geloof, dat JAHWEH God is, Hij, en geen ander. Het was een getuige aan het nageslacht van hun zorg om hun Godsdienst zuiver en ongeschonden aan hen over te leveren, en zou een getuige tegen hen zijn, indien zij ooit God gingen verlaten, zich van achter de Heere zouden afkeren.