15. Opdat niet iemand zegt, dat ik in mijn naam gedoopt heb, dat ik door mijn doopsbediening hem zo aan mijn persoon zou hebben gebonden, dat hij recht zou hebben zich naar mij te noemen. 16. Maar ik heb ook, zoals mij nu nog in de gedachte valt en ik daar tot aanvulling van het in
Vers 14 gezegde nog nadrukkelijk bijvoeg, ook het huisgezin van Stefanus (
Hoofdstuk 16:15) gedoopt; voorts weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb.
Paulus wil aantonen hoe dwaas de belijdenis is van hen, die zeiden: "ik ben van Paulus" (vers 12), omdat dit zulke dwaze veronderstellingen zou hebben, als welke in de tweede vraag (vers 13) genoemd zijn. Over het eerste punt: "is Paulus voor u gekruisigd? " spreekt hij niet verder, omdat het antwoord op zo'n vraag vanzelf spreekt. Daarentegen voegt hij bij het tweede punt: "of bent u in Paulus' naam gedoopt? nadere uiteenzettingen en noemt uitdrukkelijk de weinige enkele gevallen, dat hij te Corinthiërs zelf de doop had bediend. Nadat hij eerst twee personen genoemd heeft, door hem gedoopt (Vers 14), komt hem nog een Corinthische gemeente in de gedachte, waaraan datzelfde is geschied en met nauwgezetheid voegt hij er dat bij. Na deze bijvoeging is het hem duidelijk geworden, dat hij zijn geheugen niet onvoorwaardelijk kan vertrouwen, zodat hij de mogelijkheid toegeeft (Vers 18), dat er nog deze of gene zou moeten worden bijgevoegd, maar tevens, hoe onverschillig de zaak op zichzelf is, of hij de doop zelf bediende, dan of die door anderen is bediend (vgl. Handelingen 10:48). Was het anders, was er iets bijzondere in, wanneer hij de doop zelf bediende, dan zou hij zich niet alleen niet met zo zeldzame gevallen hebben tevreden gesteld, maar ook de verschillende gevallen nauwkeurig hebben opgetekend. Waaraan hij zelf echter geen gewicht hechtte, namelijk op het bedienen van de doop door hemzelf, daaraan konden gemakkelijk zij, die deze hadden ondergaan, tegenover anderen, aan wie dit niet te beurt gevallen was, waarde hechten. Zij konden zichzelf houden voor degenen, die in een bijzondere eigenaardige betrekking tot hen waren gesteld, hen als het ware waren ingelijfd, zoals ook later bij meer ontwikkelde schismatische partijen in de kerk op de menselijke organen, waardoor men de doop had ontvangen, een te groot gewicht werd gelegd. Wellicht waren er reeds toen te Corinthiërs onder hen, die zeiden: "ik ben van Céfas", degenen die, uit Palestina gekomen, er zich bij de Corinthiërs op beroemden dat zij de doop door de eigen hand van Petrus hadden ontvangen en tot de verdeeldheid, die zich onder hen ontwikkelde en in Vers 12 genoemd is, de eerste aanleiding hadden gegeven. Als de apostel in Vers 15 zegt: "opdat niet iemand zegt, dat ik in mijn naam gedoopt heb", dan denkt hij wel niet, zoals vele uitleggers zijn woord willen opgevat hebben, aan boosaardige lasteraars, die hem zouden beschuldigen, dat hij bij de door hem bediende doop of onmiddellijk in de plaats van Christus' naam, waarin de doop anders werd bediend (Handelingen 8:16), zijn eigen naam zou hebben gezet, of ten minste naast die eerste ook de laatste zou hebben gevoegd. Integendeel, omdat het dopen in iemands naam een handeling te kennen geeft, die tot hem, wiens naam bij de doop genoemd wordt, in een persoonlijke betrekking stelt, maar zij, die zich "van Paulus" noemden, zich gedroegen, alsof zij werkelijk in zo'n persoonlijke betrekking tot de apostel waren gesteld, zijn het deze zelf, die hem op indirecte manier enigermate beschuldigden, in zijn naam gedoopt te zijn. Nu verblijdt hij zich, dat hij hiertoe geen aanleiding gegeven heeft, zelfs niet door het zelfbediening van de doop. De weinigen, die hij gedoopt heeft, kan hij zonder bedenking noemen, want juist zij, zo mogen wij aannemen, hadden zich van die partijdigheid onthouden. Hoe konden nu de overigen, die zich "van Paulus" noemden, ook maar een schijn van recht voortbrengen, om zich tegenover hen, die zich "van Céfas" noemden, als die "van Paulus" te stellen? Hij heeft het niet uit berekening gedaan, als hij zich zoveel mogelijk onthouden heeft vanzelf te dopen en daarvoor elk recht van bestaan voor een partij van Paulus van het begin heeft afgesneden. Wel ziet hij er echter een leiding in van zijn God, dat hij zo gedaan heeft; deze heeft als het ware voor hem de zaak berekend. Vaak regeert Gods voorzienigheid onze omstandigheden en handelingen op een manier, zegt Bengel, dat wij later die bijzondere bestemming met dankbaarheid opmerken. 17. Ik ken bovendien geen bijzonder gewicht aan een doop toe, omdat die door mij gebeurd is; want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar (Handelingen 9:15, 20; 22:15; 26:16 vv. om het Evangelie te verkondigen en dit doe ik nu a) niet met wijsheid van woorden. Ik probeer het onderwerp van mijn prediking niet te omkleden met het uitwendig gewaad van filosofische bewijzen, of van kunstige, welsprekende voorstelling (Hoofdstuk 2:4), maar ik predik op eenvoudige, bevattelijke wijze, opdat het kruis van Christus niet verijdeld wordt, niet beroofd wordt van zijn heerlijke kracht en in de plaats daarvan zou worden gesteld wat esthetisch - aantrekkelijkheid heeft, of alleen theoretische bijval verkrijgen kan.
a) 2 Petrus 1:16.
Het dopen was aan de apostelen bevolen in de instellingswoorden (Mattheus 28:20) en Paulus zelf zag het niet aan als een handeling, vreemd aan of in strijd met zijn roeping. Het kon evenwel door de apostelen slechts indirect (vgl. Handelingen 13:5) plaats hebben en moest om hun hogere gaven en om hun tijd en hun krachten voor de hoofdzaak van hun beroep te bewaren, aan anderen worden overgelaten, met name aan de diakenen Zo heeft de Heere het ook zelf gedurende Zijn leven op aarde aan de discipelen overgelaten (Johannes 4:2).
De tweede helft van het vers moet grammatisch uit het eerste worden aangevuld. Toch is dit een begin van een nieuwe gedachten-reeks, waarin de apostel zich nu wendt tot hen, die om de meer schitterende voordracht van Apollos aan dezen de voorkeur gaven, op een wijze, dat de apostel ten gevolge daarvan ophield voor hen datgene te zijn, wat hij voor de gemeente van rechtswege was en zijn moest.
Het kruis van Christus wordt vernietigd, van kracht beroofd door zo'n verkondiging, die de toehoorders boeit door haar innemende, boeiende vorm. Als toch het woord van het kruis de menselijke kunst van voorstelling en de weg van filosofisch bewijzen te hulp roept, dan werkt het niet meer, ten minste niet meer alleen door zijn inhoud, maar mogelijk alleen door vorm van voordracht. Dan is echter ook de uitwerking onzeker gemaakt, want die zich door de boeiende vorm heeft laten meeslepen, zonder dat hij gewonnen is voor de inhoud van de prediking, die is in van de waarheid misleid. Van de kracht van het kruis van Christus zelf zal hij niets in zich ervaren; deze is voor hem onder de verblindende voorstelling verstikt.
Men moet hierdoor geen krachtige, mannelijke, waar het pas geeft, ook sierlijke en altijd beschaafde taal verstaan, voorwaar, die wijsheid van het woord, of van de rede, bezat Paulus in geen geringe mate en hij maakte er steeds gebruik van. Maar men wilde in heidense gemeenten, inzonderheid in het hart van Griekenland, dat leer en leerwijze geschoeid werden op de leest van de wijsgerige onderzoekingen en redetwisterijen en dit is die wijsheid van het woord, waarvan Paulus een afkeer had, bij wie het kruis van Christus en de rechtvaardigheid uit God de spil waren, waarom zijn hele onderwijs zich bewoog. (V. D. PALM).
Dat kruis van Christus wordt verijdeld en verliest zijn kracht, wanneer het Evangelie met een kunstige zwier van welsprekendheid gepredikt wordt, omdat daardoor de aandacht wordt afgewend van die eenvoudige en allerbelangrijkste waarheid, dat Christus gekruisigd zij om de reinigmaking van de zonden door zichzelf te weeg te brengen. - Paulus had zich daarom onthouden van een wijsheid, die naar de smaak was van de Corinthische geletterden.