8. Hoe zal niet veel meer de bediening van de Geest (
Hebreeën 6:4 v. ; 10:29.
Galaten 3:14. Hand. 10:44) in heerlijkheid zijn?
Zonder twijfel is deze gehele vergelijking van de bediening van het Nieuwe Testament met de bediening van Mozes in Vers 7-11, alsook later van het deksel, dat in Vers 13 v. op het aangezicht van Mozes wordt gelegd, alsmede de uitweiding over de verharding van de Joden in Vers 14-18, niet zonder doel en wel in onmiddellijke polemiek tegen de Judaïsten ("Ac 15. 3, 5"en "Ac 18. 23 voorgesteld.
Het verhevene van het nieuwe verbond boven het oude heeft Paulus vroeger slechts op de voorgrond geplaatst om de waardigheid van het apostolisch ambt zeer hoog te plaatsen, hoger dan die van de dienaar van het oude verbond. Hij bedient zich hierbij van de gevolgtrekking a minori ad majus (van het kleinere tot het grotere) en wel driemaal (Vers 7 v., 9, 11). Het woordje "en" of "echter, maar", dat voor aan Vers 7 staat, leidt die gevolgtrekking in. De apostel geeft daar te kennen, dat de bediening van het oude verbond een bediening is, die door de letter doodt, d. i. een bediening van de dodende wet, waaronder men de bediening van Mozes moet verstaan.
Terwijl namelijk sprake is van de bediening, waardoor tot de mensen komt wat God gegeven heeft, opdat het tot hen kome, beperkt zich deze bediening van de kant van het Oude Testament tot Mozes, door wie de wet, de bijzondere gave van God van die orde van het heil, eens voor altijd tot Israël gekomen is. Van de kant van het Nieuwe Testament bestaat die echter in de bediening van hen, die ertoe geroepen zijn, dat de gave van de genade van God in Christus, de Geest, die eeuwig leven teweeg brengt, tot de mensen komt.
Mozes wordt hier niet beschouwd als middelaar, zodat Christus tegenover hem zou moeten staan, maar als dienaar, zodat hij als vertegenwoordiger van alle leraars van de wet tegenover de apostolische dienaars van het Evangelie of van het nieuwe verbond overstaat. In een stoute wending de dienst met het voorwerp, waaraan zij plaats heeft, tot een samenverbindende, stelt Paulus de bediening van de wet, die door de letter doodt en zo de dood en diens heerschappij in de hand werkt, voor als een bediening in stenen ingedrukt. De bediening van Mozes en van al zijn opvolgers bestond namelijk daarin, de wet met letters in steen ingedrukt voor te houden en in te scherpen, iets meer kon hij niet doen. Tevens wordt met de woorden "in stenen ingedrukt" het uiterlijke en harde van deze dienst sterk uitgesproken.
Deze Oud Testamentische bediening had echter toch ook haar heerlijkheid of duidelijkheid, dat uit het feit blijkt, dat de Israëlieten Mozes niet in het aangezicht konden zien, zo vaak hij in zijn heilige bediening had gearbeid. Die glans op zijn aangezicht toonde, hoe hij de door hem medegedeelde openbaring niet uit zichzelf, maar door verplaatsing in het gebied van het hemels licht, in de onmiddellijke nabijheid van God had ontvangen. Intussen was de lichtglans op het aangezicht van Mozes niet een, die bestendig bleef, maar een voorbijgaande. Die glans duurde slechts een poos en verdween dan gaandeweg weer. Had daarom zo'n verbond heerlijkheid, de openbaring daarvan toch slechts uitwendig en voorbijgaand, slechts veroordelend en dood aanbrengend voor de mens zich plaatst, hoe zou, zo besluit Paulus van het mindere tot het meerdere, de heerlijkheid van het nieuwe verbond niet groter zijn, omdat de openbaring ervan het inwendige van de mens aangrijpt, rechtvaardiging voor God teweeg brengt, nieuw leven en eeuwige zaligheid aanbrengt.
Maar waarop doelt Paulus als hij van de heerlijkheid spreekt van de bediening, die van de Geest is? Een uitwendige lichtglans, zoals op Mozes aangericht was, was op het aangezicht van Paulus of van Timotheüs of van andere dienaren van het Evangelie niet te zien. Ook de tekenen en wonderen, waarmee de Heere het apostolisch ambt in de wereld heeft ingeleid (Hoofdstuk 12:12), zijn wel een zichtbare openbaring van de heerlijkheid, maar evenals zijn gave geestelijk is, zo is ook de heerlijkheid ervan geestelijk, erkend en geprezen door hen, die door het ambt zijn gezegend met allerlei geestelijke zegeningen in hemelse goederen door Christus. De grote heerlijkheid van de bediening van het Nieuwe Testament betoont zich daarin, dat het liefelijk licht van de Evangelieprediking niet alleen kan worden aangezien door de kinderen van het Nieuwe Testament, maar ze ook doorschijnt en tot spiegels van Christus maakt (Vers 18). De Korinthiërs moest deze lof van de bediening, die zij hadden laten verduisteren, in het hart laten gaan als een strafprediking, die toch zeer Evangelisch was; want de apostel trekt de wankelenden tot zich en houdt ze vast met aanprijzing van de allerdierbaarste schat, waarin zij rijk waren geworden door zijn prediking! (vgl. 1 Corinthiërs 1:4 vv.)
De bediening van het Nieuwe Testament staat in vergelijking met het grootste, dat wij in onze tegenwoordige en de vroegere wereld kunnen vinden, met het ambt van de overheid en het ambt van het Oude Testament, alleen; want het geeft wat geen ander geeft: geest, leven en gerechtigheid. De eenvoudige herder, die op de kansel en in de woning zijn ambt bedient, die, misschien omgeven door noden en door de verachting van de wereld, de mensen nutteloos voorkomt en zelfs waardig om met al zijn doen en zoeken verwijderd te worden uit de maatschappij, die heeft, hoe klein, hoe zwak hij schijnt en hoe veracht hij is, toch, omdat hij het ambt van het Nieuwe Testament bedient, een ambt, dat geest en leven en gerechtigheid geeft.