Exodus 8:20-32
In dit bericht van de plaag van de zwermen ongedierte wordt ons gezegd:
I. Hoe er, evenals met de plaag van van de kikvorsen, mee gedreigd werd vóór zij kwam. Aan Mozes wordt bevolen, vers 20, `s morgens vroeg op te staan ten einde Farao te ontmoeten als hij afkwam naar het water, en daar zijn eis te vernieuwen. Zij, die voor God en hun geslacht grote dingen tot stand willen brengen, moeten vroeg opstaan, en de tijd uitkopen in de morgen. Farao was vroeg op om zijn afgodische aanbidding van de rivier te verrichten, en zullen wij dan voor meer slaap en meer sluimering zijn, als er een dienst te verrichten is, die in de groten dag ons ten goede aangerekend zal worden? Zij, die zich Gods getrouwe dienstknechten willen betonen, moeten het aangezicht van de mensen niet vrezen. Mozes moet zich voor Farao's aangezicht stellen, zo trots als hij was, en hem zeggen hetgeen in de hoogste mate vernederend voor hem was, moet hem uitdagen om-zo hij weigert zijn gevangenen los te laten- de strijd aan te binden met een legerschare van zwermen ongedierte, dat aan Gods orders zou gehoorzamen, als Farao Hem niet wil gehoorzamen. Zie een dergelijke bedreiging in Jesaja 7:18. "dat de Heer zal de vliegen en de bijen tot zich zal fluiten" om op te komen en Zijn doeleinden te dienen.
II. Hoe de Egyptenaren en de Hebreën op merkwaardige wijze van elkaar onderscheiden zullen zijn in deze plaag, vers 22, 23. Waarschijnlijk is dit onderscheid bij de vorige plagen niet zo opvallend geweest, als bij deze. Gelijk de plaag van de luizen meer overtuigend was dan de daaraan voorafgaande doordat de onmacht van de tovenaars er bij uitkwam, zo was deze het door het merkbare verschil tussen de Egyptenaren en de Hebreeën. Farao moet te weten gedaan worden, dat God de Heere is in het midden van dit land, en hieraan zal dit met ontwijfelbare zekerheid geweten worden:
1. Zwermen van dit ongedierte, deze vliegen die in het wilde schijnen rond te vliegen, zullen blijkbaar en duidelijk onder de leiding zijn van een denkend, albesturend Wezen, terwijl zij boven het bestuur of de leiding zijn van de mens. "Tot hiertoe zullen zij gaan," zegt Mozes, "en daarheen zullen zij niet gaan, " en zo geschiedde het, juist en nauwkeurig, waaruit bleek dat Hij, die het zei, dezelfde was als Hij, die het deed, namelijk een Wezen van oneindige wijsheid en macht.
2. De dienaren en aanbidders van de grote Jehova zullen er voor bewaard worden om te delen in de algemene rampen van de plaatsen, waarin zij wonen, zodat de plaag, die al hun naburen kwelt, hen niet zal naderen, en dit zal het onbetwistbaar bewijs zijn dat God de Heer is in het midden van dit land. Voeg deze beide samen, en het blijkt dat "de ogen van de Heer de gehele aarde doorlopen," en ook de lucht doorlopen, om datgene te leiden en te besturen, wat ons heel toevallig schijnt te zijn, tot het een of andere grote doeleinde, ten einde "zich sterk te bewijzen aan degenen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat" 2 Kronieken 16:9.
Merk op hoe dit herhaald wordt, vers 23, Ik zal een verlossing stellen tussen uw volk en Mijn volk. De Heer kent degene, die de Zijnen zijn, en Hij zal doen blijken, misschien reeds in deze wereld, en zeer zeker in de andere wereld, dat Hij hen zich heeft afgezonderd. Er zal een dag komen, dat gijlieden wederom zien zult het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, Maleachi 3:18, tussen de schapen en de bokken, Mattheus 25:32, Ezechiël 34:17, al zijn zij thans ook dooreen gemengd. III. Hoe de plaag werd opgelegd, de dag na dien, waarop er mee gedreigd werd, kwamen steekvliegen in zwermen, vers 24, allerlei soort van vliegen, zodanigen, "dat die hen verteerden," Psalm 78:45. De overste van de macht van de lucht heeft er in geroemd "Beëlzebub, de god van de vliegen" te zijn, maar hier wordt het bewezen, dat hij ook hierin een bedrieger en overweldiger is, want zelfs met zwermen van vliegen strijdt God tegen zijn rijk en heeft de overhand.
IV. Na die aanval wil Farao parlementeren en onderhandelt met Mozes over de loslating van zijn gevangenen, maar zie met welk een tegenzin hij zich onderwerpt.
1. Hij stemt er in toe, dat zij aan hun God zullen offeren, mits dat zij het in Egypteland zullen doen vers 25. God kan verdraagzaamheid voor Zijn aanbidding ontwringen zelfs van hen, die er de wezenlijke vijanden van zijn. Onder het striemen van de roede stemt Farao er in toe, dat zij offeranden doen, en wil hij aan het Israël van God gewetensvrijheid toestaan zelfs in zijn eigen land.
Maar Mozes wil die concessie niet aannemen, hij kan het niet, vers 26. Het zou Gode een verfoeisel zijn, indien zij de Egyptische offers offerden, en het zou de Egyptenaren een gruwel wezen, indien zij aan God hun eigen offers offerden, zoals zij behoorden te doen, zodat zij in Egypteland niet konden offeren zonder zich bloot te stellen aan het ongenoegen, hetzij van hun God, of van hun meesters, daarom dringt hij er op aan om de weg van drie dagen in de woestijn te gaan, vers 27. Zij, die op een voor God welbehaaglijke wijze willen offeren, moeten:
a. Zich afscheiden van de goddelozen en wereldsgezinden, want wij kunnen niet tegelijk gemeenschap hebben met de werken van de duisternis en met de Vader van de lichten, met Christus en met Belial, 2 Corinthiërs 6:14 en verv., Psalm 26:4, 6.
b. Zij moeten zich terugtrekken uit het rumoer van de wereld, opdat zij er niet door afgeleid worden. Israël kan het feest van de Heer noch tussen de steenovens, noch tussen de vleespotten van Egypte houden, neen, Wij willen in de woestijn gaan, Hosea 2:12, Hooglied 7:11.
c. Zij moeten het goddelijk bevel opvolgen: "Wij zullen offeren aan God gelijk Hij tot ons zeggen zal, en niet anders." Hoewel zij tot de uiterste graad van slavernij onder Farao waren gekomen, moeten zij toch in de aanbidding van God Zijn bevelen, en niet Farao's bevelen gehoorzamen.
2. Toen dit voorstel werd afgewezen, stemde hij er in toe dat zij in de woestijn zullen gaan, mits niet te ver, niet zo ver, dat hij hen niet terug zal kunnen halen, vers 28. Waarschijnlijk had hij wel van hun voornemen gehoord om naar Kanaän te gaan, en vermoedde hij dat zij, eenmaal Egypte verlaten hebbende, er nooit zouden terugkeren. Toen hij dus genoodzaakt was in hun vertrek te bewilligen (de zwermen van ongedierte, de vliegen van allerlei soort, gonsden hem de noodzakelijkheid er van in de oren) wilde hij hen toch niet buiten zijn bereik laten gaan. Aldus zullen sommige zondaren, onder de macht en de benauwdheid van de overtuiging van zonde gekomen, hun zonden wel laten, maar zij willen er toch niet ver weg van gaan, want als de schrik voorbij is, keren zij er toe terug. Wij zien hier een worsteling tussen Farao's overtuiging en zijn bederf. Zijn overtuiging zei: "Laat hen gaan", zijn bederf zei: "maar niet te ver weg", maar hij hield het met zijn bederf tegen zijn overtuiging, en dat was zijn ondergang. Mozes nam dit voorstel inzover aan, dat hij er de opheffing van de plaag voor beloofde, vers 29. Zie hier:
A. Hoe bereid God is onderwerping van de zondaar aan te nemen. Farao zegt slechts: Bidt vuriglijk voor mij, ( hoewel het met leedwezen is, dat hij zich aldus vernedert) en Mozes belooft terstond: Ik zal tot de Heer vurig bidden, opdat hij zien zou wat de bedoeling van God was met de plaag, niet hem ten verderve te brengen, maar hem tot bekering te doen komen. Met welk een welgevallen heeft God gezegd, 1 Koningen 21-29. "Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht?"
B. Hoe nodig het voor ons is vermaand te worden om in onze onderwerping oprecht te zijn. Alleen dat Farao niet meer bedrieglijk handele. Zij, die bedrieglijk handelen, worden met recht gewantrouwd, en moeten er voor gewaarschuwd worden niet meer tot dwaasheid weer te keren, nadat God nog eens van vrede heeft gesproken. Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten, als wij denken God te bedriegen met een nagemaakte bekering en een schijn van onderwerping, dan zullen wij ten slotte ondervinden, dat wij op noodlottige wijze onze eigen ziel hebben bedrogen.
Eindelijk. Het gevolg van dit alles was, dat God genadig de plaag heeft weggenomen, vers 20, 31, maar dat Farao trouweloos tot zijn verharding wederkeerde, en het volk niet liet trekken, vers 32. Zijn hoogmoed liet hem niet toe om zulk een bloem van zijn kroon op te geven, als zijn heerschappij over Israël was, en zijn geldgierigheid liet hem niet toe om afstand te doen van zo'n bron van inkomsten, als hun arbeid hem bezorgde. Heersende lusten en begeerlijkheden verbreken de sterkste banden, en maken de mensen onbeschaamd aanmatigend en ergerlijk trouweloos. Laat de zonden dus niet over ons heersen, want indien zij wèl over ons heersen zullen zij ons naar ziel en lichaam ten verderve voeren.