Exodus 6:9-12
1. God zendt Mozes hier voor de tweede maal tot Farao, vers 10, en wel met dezelfde boodschap als tevoren, namelijk hem te gebieden de kinderen Israëls uit zijn land te laten trekken. God herhaalt Zijn geboden eer Hij met Zijn straffen komt. Zij, die dikwijls tevergeefs geroepen waren om af te laten van hun zonden, moeten er telkens en nogmaals toe geroepen worden, of dat zij horen zullen, of dat zij het laten zullen, Ezechiël 3:11. Van God wordt gezegd, dat Hij de zondaren "behouwt" door Zijn profeten, Hosea 6:5, wat de herhaling aanduidt van de slagen, "Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen!"
2. Als iemand, die ontmoedigd is en de zaak maar wil opgeven, maakt Mozes tegenwerpingen, vers 11. Hij pleit:
a. Op de onwaarschijnlijkheid, dat Farao zal willen horen: "Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet gehoord, " zij geven geen acht op wat ik gezegd heb, slaan er geen geloof aan, hoe kan ik dan verwachten, dat Farao naar mij zal willen horen? Als de benauwdheid van de geest "hen doof heeft gemaakt voor wat hen kalm gemaakt en vertroost zou hebben, dan zal de toorn van zijn geest, zijn hoogmoed en onbeschaamdheid hem doof maken voor wat hem slechts nog meer prikkelen en vertoornen kan". Indien Gods belijdend volk niet naar Zijn boden hoort, hoe is het dan te denken, dat Zijn erkende vijand naar hen zal horen? De verkeerdheid en onhandelbaarheid van hen, die Christenen genoemd worden ontmoedigen de leraren, en zouden hen bijna doen wanhopen aan welslagen, als zij met atheïsten en wereldsgezinden hebben te handelen. Wij zouden gaarne het middel willen wezen om Israëlieten te verenigen, hen te beschaven en te reinigen, hen te vertroosten en toch vrede te brengen, maar indien zij niet naar ons willen horen, hoe zullen wij dan iets uitrichten bij hen, van wie wij redelijkerwijs niet zoveel aandacht of gezeggelijkheid kunnen verwachten. Maar bij God zijn alle dingen mogelijk.
b. Hij pleit op het gebrekkige van zijn spraakvermogen. "Daarbij ben ik onbesneden van lippen." Dat wordt herhaald in vers 29. Hij was zich bewust dat hij zich niet goed en gemakkelijk kon uiten, dat hij de taal niet in zijn macht had, zijn gaven waren van een andere aard. Op deze tegenwerping had God tevoren reeds genoegzaam geantwoord, en daarom had hij er nu niet weer mee moeten komen, want de vrede van de genade kan altijd een natuurlijk gebrek vergoeden. Onze zwakheden en gebreken moeten ons wel verootmoedigen, maar niet ontmoedigen om ons best te doen in de dienst van God. Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht.
3. Weer voegt God Aäron toe aan Mozes voor deze opdracht, en Hij maakt een einde aan de twist door tussenbeide te komen met Zijn gezag, en hun beide plechtig een opdracht te geven, die zij naar de trouw en gehoorzaamheid, welke zij hun grote HEERE en Gebieder schuldig zijn, met alle mogelijke spoed hebben te volvoeren. Als Mozes zijn reeds nietig verklaarde argumenten herhaalt, zal er niet met hem geredeneerd worden, maar God geeft hem en Aäron een opdracht zowel aan de kinderen Israëls als aan Farao, vers 12. Gods gezag is voldoende om alle tegenwerpingen tot zwijgen te brengen, en verplicht ons tot gehoorzaamheid, zonder murmureren of tegenspreken Filippenzen 2:14. Mozes zelf had het, evenals Timotheus, 1 Timotheus 6:13, nodig, dat hem bevelen worden gegeven.