Exodus 34:10-17
Nu de verzoening tot stand gekomen is wordt er een verbond van vriendschap gemaakt tussen God en Israël. De verraders zijn niet slechts begenadigd, maar bevorderd en wederom tot gunstgenoten gemaakt. Wèl mag de verzekering daarvan ingeleid worden door het woord: "Zie," een woord, dat aandacht en bewondering aanduidt. Zie, Ik maak een verbond. Toen het verbond verbroken werd, was het Israël, dat het verbrak, nu het staat vernieuwd te worden, is het God, die het maakt. Indien er twist is, moeten wij er al de schuld van dragen, als er vrede is, moet aan God al de eer en heerlijkheid er voor worden toegebracht. Hier nu is:
1. Gods deel van het verbond, wat Hij voor hen doen zal, vers 10,11.
a. In het algemeen. Voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen. Verbondszegeningen zijn wonderen, Psalm 98:1, wonderen in het rijk van de genade, die, welke hier vermeld worden, waren wonderen in het rijk van de natuur: het opdrogen van de Jordaan het stilstaan van de zon, enz. In waarheid wonderen, want zij waren zonder precedent, zonder voorbeeld, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, zij waren de vreugde van Israël en de bevestiging van hun geloof. Uw volk zal zien en erkennen des Heeren werk. En zij waren de schrik van hun vijanden, het is schrikkelijk, wat Ik doen zal. Ja, zelfs Gods eigen volk zal ze zien met verbazing.
b. In het bijzonder: Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten. Als Koning van de volken rukt God sommigen uit om anderen te planten, als Koning van de heiligen maakte Hij plaats voor de wijnstok, die Hij heeft overgebracht uit Egypte, Psalm 80:9, 10. Aan Israëls belangen worden koninkrijken opgeofferd, Jesaja 43:3, 4.
2. Hun deel van het verbond: Onderhoudt gij hetgeen, dat Ik u heden gebied. Wij kunnen het voorrecht, de weldaad, van de beloften niet verwachten, tenzij wij nauwgezet de geboden onderhouden. De twee grote geboden zijn:
A. Gij zult u niet buigen voor een andere God, vers 14, geen Goddelijke eer bewijzen aan enig schepsel, of aan enigerlei naam, een schepsel van de verbeelding. Er wordt een goede reden aan toegevoegd: het is op uw risico zo gij het doet, want de Heere, wiens naam is IJveraar, is een ijverig God, even gevoelig voor de zaken van Zijn Godsdienst, als de man voor de eer van het huwelijksbed. Jaloersheid wordt de grimmigheid des mans genoemd, Spreuken 6:34, maar zij is Gods heilig en rechtvaardig ongenoegen. Diegenen kunnen God niet op de rechte wijze aanbidden, die niet Hem alleen aanbidden.
B. "Gij zult u geen gegoten goden maken, vers 17, gij zult de waren God niet door of in beelden aanbidden." Dat was de zonde, waarin zij nu onlangs waren gevallen, en daarom worden zij daar inzonderheid tegen gewaarschuwd.
Om deze twee geboden worden hier omheiningen gemaakt:
a. Opdat zij niet in verzoeking zouden komen andere goden te aanbidden, moeten zij niet in betrekking komen van verwantschap of vriendschap met hen, die het deden, vers 12. "Wacht u, want gij bevindt u in de proeftijd, het is een zonde, waartoe gij neiging hebt, en die u lichtelijk zal omringen, weest dus zeer op uw hoede, en onthoudt u zorgvuldig van alle schijn van dit kwaad, of van een naderen er toe, dat gij toch geen verbond maakt met de inwoners des lands." Indien God, in vriendelijkheid voor hen, de Kanaänieten uitdreef, dan behoren zij in gehoorzaamheid aan God, hen niet te herbergen. Wat kon van hen geëist worden, dat meer redelijk en billijk was? Indien God oorlog voert tegen de Kanaänieten, moet Israël geen vrede met hen sluiten. Indien God er voor zorgt, dat de Kanaänieten hun heren niet worden, laat hen er dan voor zorgen, dat zij geen strikken voor hen worden. Het was in hun burgerlijk belang om de verovering van het land te voltooien, zozeer gaat God te rade met ons welvaren in de wetten, die Hij ons geeft. Inzonderheid moeten zij er zich voor wachten om onderlinge huwelijken met hen aan te gaan, vers 15, 16. Als zij hun kinderen huwden, dan liepen zij gevaar om ook hun goden te huwen, zo groot is het bederf van onze natuur, dat er veel meer waarschijnlijkheid is dat de slechten de goeden zullen verleiden, dan dat de goeden de slechten zullen bekeren. De weg van de zonde loopt bergafwaarts, wie een verbond hebben met afgodendienaars zullen langzamerhand liefde krijgen voor afgoderij, en zij, die er toe overgehaald werden om van het afgodenoffer te eten, zullen er eindelijk toe komen om aan de afgoden te offeren. "Obsta principiis-Smoor het kwaad in de geboorte."
b. Om niet in verzoeking te komen zich gegoten goden te maken moeten zij die, welke zij gevonden hebben, ten enenmale vernielen met alles wat tot hen behoorde, de altaren en de bossen, vers 13, opdat zij, indien zij ze lieten staan, in verloop van tijd er niet toe zouden komen om ze of te gebruiken, of ze na te maken, of in hun verfoeiing van en vrees voor afgoderij te verflauwen. De overblijfselen van afgoderij moeten vernietigd worden als zijnde een belediging van de heilige God, en een grote schande voor de menselijke natuur. Laat er nooit gezegd worden dat mensen, die aanspraak maken op verstand, zich ooit aan zulke ongerijmdheid schuldig gemaakt hebben, dat zij zich goden gemaakt hebben en die hebben aanbeden.