Exodus 29:38-46
Hier is:
1. De dagelijkse dienst bepaald: iedere morgen en iedere avond moest een lam geofferd worden, elk met een spijsoffer, beide door vuur, als een gedurig brandoffer bij hun geslachten, vers 38-41 Of er nu al of niet andere offers geofferd werden, deze moesten bepaald en altijd geofferd worden op algemene kosten, tot voordeel en tot vertroosting van geheel Israël, om verzoening te doen voor hun dagelijkse zonden, en als erkentenis jegens God voor hun dagelijkse zegeningen. Dat was hetgeen de eis was van elke dag. Het wegnemen van dit dagelijks offer door Antiochus, gedurende zoveel avonden en morgens, was de grote ramp van de kerk, voorzegd in Daniël 8:11. Dit nu was:
a. Een type of afschaduwing van de voortdurende voorbede van Christus, in de kracht van Zijn genoegdoening voor de voortdurende heiliging van Zijn kerk, hoewel Hij zich eenmaal geofferd heeft, is die ene offerande een voortdurend offer geworden.
b. Dit leert ons Gode elke dag, des morgens en des avonds, de geestelijke offeranden te offeren van gebed en lofzegging in nederige erkenning van onze afhankelijkheid van Hem en onze verplichtingen aan Hem. Ons dagelijks gebed moet beschouwd worden als het noodzakelijkste van ons dagelijks werk, en het lieflijkste in onze dagelijkse genietingen, welke bezigheden wij ook hebben, dit mag nooit, morgen noch avond, verzuimd worden, de tijd om te bidden moet even nauwkeurig gehouden worden als de tijd om spijze te gebruiken. De dagelijkse offers waren als dagelijkse maaltijden in Gods huis, en daarom was er ook altijd brood en wijn bij. Diegenen laten hun eigen zielen verhongeren, die zich niet voortdurend tot de troon van de genade begeven.
2. Grote en dierbare beloften van Gods gunst zijn hier gedaan aan Israël en van de tekenen van Zijn bijzondere tegenwoordigheid onder hen, zolang zij Zijn inzettingen onderhielden. Hij spreekt als een welbehagen hebbende in die bepaling van het dagelijks offer, want vóór Hij tot de volgende wetten en verordeningen overgaat, geeft Hij hun deze beloften. Het is het standvastige in de Godsdienst, dat er de lieflijkheid, de vertroosting van is. Hij belooft:
a. Dat Hij gemeenschap met hen zal onderhouden, niet alleen tot Mozes zou komen om met hem te spreken, maar tot de kinderen Israëls zal komen, vers 43, om de dagelijkse offeranden aan te nemen, die voor hun behoefte gebracht worden. God zal niet falen tot hen te komen, die Hem naarstiglijk zoeken in de inzettingen, die Hij zelf verordineerd heeft.
b. Dat Hij heerlijkheid zou toevoegen aan Zijn instellingen, de tabernakel, het altaar, het priesterschap, vers 43, 44, bezit zou nemen van hetgeen Hem geheiligd was. Hetgeen geheiligd is tot eer en heerlijkheid Gods, zal door Zijn heerlijkheid geheiligd worden. Als wij doen hetgeen van ons is, dan zal God doen wat van Hem is, en hetgeen Hem in oprechtheid wordt overgegeven, ook voor zich geschikt maken.
c. Dat Hij onder hen zou wonen als een God, die in verbond met hen is, en hun gewisse en troostrijke kentekenen zou geven van Zijn bijzondere gunst jegens hen, en van Zijn tegenwoordigheid onder hen, vers 45, 46. Ik zal in het midden van de kinderen Israëls wonen. Waar God de tabernakel van Zijn inzettingen opricht, zal Hij zelf wonen: "Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen," Mattheus 28:20. Zij, die in Gods huis wonen, zullen ervaren dat God met hen is. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen weten dat Ik dat ben. Diegenen zijn waarlijk gelukkig die door het verbond deelhebben in God als hun God, en het troostrijke blijk en bewijs daarvan hebben. Als wij dit hebben, dan hebben wij genoeg, meer behoeven wij niet om gelukkig te zijn.