Leviticus 24:1-9
Er wordt hier zorg gedragen en order gegeven voor de behoorlijke toerichting van de kandelaar en de tafel in Gods huis
1. De lampen moeten altijd brandende worden gehouden. De wet hierop hadden wij tevoren in Exodus 27:20, 21. Hier wordt zij herhaald, waarschijnlijk omdat zij nu, nadat andere dingen geregeld waren, in werking begon te komen.
a. Het volk moest voorzien in de olie vers 2, en deze moest, evenals alle andere dingen, die voor de dienst van God gebruikt werden, de beste wezen, zuivere gestoten olijfolie. Dit was om de lampen geduriglijk aan te steken. In onze overzetting staat het woord in het meervoud, maar in het oorspronkelijke is het enkelvoudig, in vers 2 om de lamp aan te steken, maar meervoudig in vers 4. Hij zal de lampen toerichten. De zeven lampen vormden tezamen een lamp, in toespeling hierop wordt de gezegende Geest van de genade voorgesteld door zeven vurige lampen brandende voor de troon, want "er is verscheidenheid van de gaven" "doch het is dezelfde Geest," 1 Corinthiërs 12. 4 De Evangeliedienaren zijn als brandende lampen en schijnende lichten in Christus' kerk, maar het is de plicht van de gemeente om behoorlijk in hun onderhoud te voorzien, zoals Israël voor de lampen. Een karig onderhoud heeft een schrale bediening tengevolge.
b. De priesters moesten de lampen in orde houden, zij moesten ze snuiten, de kandelaar reinigen, de lampen van olie voorzien, `s morgens en `s avonds van iederen dag, vers 3, 4. Aldus is het het werk van de bedienaren des Evangelies om het woord des levens voor te houden, geen nieuw licht te ontsteken, maar door het woord te prediken en te verklaren het licht er van helderder en verder te doen schijnen. Dit was de gewone manier om de lampen brandende te houden, maar als de kerk arm was en in benauwdheid verkeerde, dan zien wij dat haar lampen voortdurend en onmiddellijk gevoed werden met olie van de goede olijfboom zonder dienst van priester of volk, Zacheria 4:2, 3 want God heeft ons wel aan middelen gebonden, maar zichzelf heeft Hij er niet aan gebonden, en zo zal Hij er afdoende zorg voor dragen, dat Zijn lamp nooit zal uitgaan in de wereld uit gebrek aan olie.
2. De tafel moest altijd toegericht zijn. Dit was tevoren geboden, Exodus 25:30. De tafel moest altijd voorzien zijn:
a. Van brood, niet van lekkernijen of keur van spijzen om een verfijnd verhemelte te strelen, maar met twaalf broden, of koeken van brood, vers 5, 6. Als er overvloed is van brood, dan is er geen hongersnood, en waar geen brood is, daar is geen maaltijd. Er was een brood voor iederen stam, want in het huis onzes Vaders is overvloed van brood, Zij werden allen gevoed door de milddadigheid Gods, en zij waren allen welkom aan Gods genade. Zelfs na de afval van de tien stammen bleef het getal van de broden bestendigd, 2 Kronieken 13:11, om de wille van de weinigen uit iedere stam, die hun liefde voor de tempel bleven behouden en er de dienst in bleven bijwonen.
b. Een handvol wierook werd in een gouden schaaltje op of bij elke rij gelegd, vers 7. Als het brood weggenomen en aan de priesters gegeven werd, dan werd deze wierook-naar ik veronderstel-behalve de dagelijkse wierook, verbrand op het gouden altaar, en dit was tot een gedenkoffer inplaats van het brood, gelijk de handvol van het spijsoffer, die op het altaar verbrand werd, daarvan het gedenkoffer genoemd wordt, Hoofdstuk 2:2. Zo werd een weinig aangenomen door God als nederige dankerkentenis, en al de broden werden aan de priesters gegeven. De twaalf broden zijn een type van geheel het geestelijk Israël Gods, en door Christus zijn zij Hem ten lieflijken reuk, en hun gebeden worden gezegd tot gedachtenis op te komen voor God, Handelingen 10:4. Het woord is ontleend aan de ceremoniëele wet.
c. Elke sabbat moesten de toonbroden vernieuwd worden. Als de broden daar een week gelegen hadden, dan kregen de priesters ze om ze met anderen heilige dingen in de heilige plaats te eten, vers 9, en dan werden er op kosten van het publiek verse broden in dezelfde plaats neergelegd, vers 8. De Joden zeggen: "Dat de handen van de priesters, die de broden nederlegden, als samengevoegd waren met de handen van de priesters, die ze wegnamen, zodat de tafel nooit ledig was, maar de broden gedurig voor het aangezicht des Heeren waren." God is nooit onvoorzien om hen die Hem bezoeken, te onthalen, zoals wel dikwijls het geval is met mensen, Lukas 11:5. Ieder van deze koeken of broden bevatte twee tiende delen dat is: twee gomers meelbloem, juist zoveel manna verzamelde ieder Israëliet op de zesde dag voor de sabbat. Exodus 16:22. Hieruit leiden sommigen af dat die toonbroden, welke op de sabbat op de tafel gelegd werden, bedoeld waren als een gedachtenis van het manna waarmee zij in de woestijn gespijzigd werden. Christus' dienaren moeten op iedere sabbatdag vers brood voorzien voor Zijn huis, het voortbrengsel van hun nieuwe bestudering van de Schrift, "opdat hun toenemen openbaar zij in alles," I Timotheus 4:15.