Exodus 22:16-24
Hier is:
1. Een wet, welke bepaalt dat hij, die een jonge dochter verleidt, haar moet huwen, vers 16, 17. Indien zij aan iemand anders ondertrouwd was, dan moest de verleider gedood worden. Deuteronomium 22:23, 24, maar hier onderstelt de wet haar als niet verloofd zijnde. Indien haar vader echter weigert haar aan hem te geven, dan moet hij voor de belediging en schande haar aangedaan, schadevergoeding geven in geld. Door deze wet wordt het huwelijk geëerd, en zij toont tevens hoe onbetamelijk het is, dat kinderen trouwen zonder de toestemming hunner ouders. Hier zelfs, waar de Goddelijke wet het huwelijk beveelt, beide als straf voor hem, die het onrecht gedaan heeft, en als een beloning voor haar, die het onrecht geleden heeft, was het toch onder uitdrukkelijk voorbehoud van de rechten des vaders, indien hij zijn toestemming weigerde, dan mocht het huwelijk niet plaatshebben.
2. Een wet waarbij toverij tot een halsmisdaad verklaard wordt. vers 18. Toverij geeft niet slechts aan de duivel de eer, die aan God alleen toekomt, maar trotseert de Goddelijke voorzienigheid, voert krijg tegen Gods regering, en legt zijn werk in de hand des duivels, van hem verwachtende goed of kwaad te doen, en hem aldus tot de god van deze wereld makende. Rechtvaardig werd dit dus met de dood gestraft, inzonderheid onder een volk, dat gezegend was met een Goddelijke openbaring, en voor hetwelk boven alle andere volken door de Goddelijke voorzienigheid gezorgd werd. Onze wet verklaart het raadplegen, aanroepen, of gebruiken van, of het sluiten van een verbond met, enigerlei boze geest, tot welk doeleinde het ook zij, het doen van bezweringen of het beoefenen van toverij, tot een halsstraffelijke misdaad zonder uitzondering van personen, want ook zij die tot de geestelijke stand behoorden, konden zich niet beroepen op hun voorrecht van niet voor een wereldlijke rechtbank gedaagd te kunnen worden. Ook het voorgeven om aanwijzing te kunnen doen waar gestolen of verloren goederen gevonden kunnen worden, of iets dergelijks, is een ongerechtigheid, strafbaar voor het gerecht, en bij herhaling voor de tweede maal moest het met de dood worden gestraft. Hierin wordt de rechtvaardigheid van onze wet ondersteund door Gods wet.
3. Onnatuurlijke verfoeiselen worden hier ook halsstraffelijk gemaakt, zodanige dieren in de gedaante van mensen, als die zich daaraan schuldig maken, zijn ongeschikt om te leven, vers 19. Al wie bij een beest ligt, zal zeker gedood worden.
4. Ook afgoderij wordt tot een halsstraffelijke misdaad gemaakt, vers 20. Daar God verklaard heeft ten opzichte van deze zaak een ijverig God te zijn, moeten ook de burgerlijke overheden dit wezen, en al die personen, geslachten en plaatsen in Israël volstrekt uitroeien en verderven, die enige god aanbidden buiten de Heere. Deze wet zou de treurige afval van het Joodse volk in latere tijden hebben kunnen voorkomen, indien zij, die haar gehandhaafd en toegepast moesten hebben, niet de voorgangers en aanvoerders waren geweest in de overtreding er van.
5. Een waarschuwing tegen verdrukking. Omdat zij, die gemachtigd waren andere misdaden te straffen, zelf het meest in gevaar waren die misdaden te begaan, houdt God het straffen er van in Zijn eigen handen.
A. Vreemdelingen moeten niet mishandeld worden, vers 21, niet verongelijkt worden in het recht door de magistraten, niet bedrogen worden bij het sluiten van contracten, hun onwetendheid of nooddruft moet men niet ten eigen bate aanwenden, en zij moeten niet bespot of gekweld, niet vertreden of met minachting behandeld worden, zij moeten het hen niet tot een verwijt maken, dat zij vreemdelingen zijn, want dit alles is kwelling of overlast, en het zou vreemdelingen ontmoedigen om onder hen te komen wonen, of het zou hen stijven in hun vooroordelen tegen hun Godsdienst waartoe zij hen door zachtheid en vriendelijkheid moeten trachten te bekeren. De reden opgegeven, waarom zij vriendelijk moeten zijn degens vreemdelingen, is: Gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland, en wist toen wat het was om gekweld en verdrukt te worden. Menselijkheid is een van de wetten van de Godsdienst, en gebiedt ons in het bijzonder om teder en barmhartig te zijn jegens hen, die in ongunstige omstandigheden zijn, ons mededogen uit te strekken tot vreemdelingen, en tot hen, jegens wie wij geen verplichting van verwantschap of bekendschap hebben. Zij, die voor ons vreemdelingen zijn, zijn bekend aan God, en Hij bewaart hen, Psalm 146:9. Zij, die de Godsdienst belijden, behoren er zich op toe te leggen om vreemdelingen te verplichten, dat is, hun dienst te bewijzen, opdat zij alzo hun Godsdienst in hun goede mening aanbevelen, en zij moeten zich wachten van iets te doen, dat hen er toe kan brengen om er kwaad van te denken, of kwaad te denken van de belijders er van, 1 Petrus 2:12. Als zij, die zelf in armoede en benauwdheid hebben verkeerd, door Gods voorzienigheid verrijkt en verruimd zijn geworden, moeten zij zeer bijzondere tederheid betonen aan hen, die zich nu in dezelfde omstandigheden bevinden als waarin zij geweest zijn, en moeten nu aan hen doen, wat zij gewenst hebben dat hun gedaan zou worden.
B. Weduwen en vaderlozen moeten niet mishandeld worden, vers 22. Gij zult hen niet beledigen, dat is: "Gij zult hen vertroosten en helpen, en bereid zijn om hun bij alle gelegenheden vriendelijkheid te bewijzen." Als hun rechtmatige eisen gesteld worden, moet men toch hun toestand in aanmerking nemen, daar zij degenen verloren hebben, die voor hen zouden opgetreden zijn om hen te beschermen. Zij worden verondersteld onbekend te zijn met het doen van zaken, ontbloot te zijn van raad, beschroomd en teergevoelig te zijn, en daarom moeten zij met vriendelijkheid en medelijden behandeld worden, hun geen hardheid worden aangedaan, waartegen een echtgenoot of een vader hen zou beschut hebben. Want:
a. God neemt bijzonder kennis van hun zaak, vers 23. Niemand anders hebbende om zich op te beroepen, of bij wie te klagen, zullen zij tot God roepen, en Hij zal hun geroep zeker verhoren want Zijn wet en Zijn voorzienigheid zijn beschermers en voogden voor de weduwen en wezen, en zo de mensen zich niet over hen ontfermen en hen niet willen horen, zal Hij het wèl. Het is een grote troost voor hen die beledigd en verdrukt worden door de mensen, dat zij een God hebben, tot wie zij zich kunnen wenden, en die meer zal doen dan hun gehoor verlenen, en het behoorde een verschrikking te wezen voor de verdrukkers, dat het geroep van de armen tegen hen opgaat tot God, dat Hij zeker zal horen. Ja meer:
b. Hij zal streng afrekenen met hen die hen verdrukken, al is het ook, dat zij er aan ontkomen om door de mensen gestraft te worden, zal Gods rechtvaardig oordeel hen toch vervolgen en achterhalen, vers 24. Mensen, die enig besef hebben van rechtvaardigheid en eer zullen zich de zaak aantrekken van de zwakken en hulpelozen, wie onrecht gedaan is, en zal de rechtvaardige God dit dan niet doen? Let op het billijke van het vonnis, dat hier uitgesproken wordt over hen die weduwen en wezen verdrukken: hun vrouwen zullen weduwen en hun kinderen wezen worden en de Heere wordt bekend door die oordelen, welke Hij ook nu nog soms uitvoert.