Exodus 12:43-51
Er worden hier nog enige voorschriften gegeven betreffende het pesach, zoals het in latere tijden gehouden moest worden.
1. De hele vergadering van Israëlieten moet het houden, vers 47. Allen, die delen in Gods goedertierenheden, moeten zich verenigen in lof en dankzegging er voor. Hoewel het in de afzonderlijke gezinnen gehouden werd, werd het toch beschouwd als de daad van de hele vergadering, want de kleinere gemeenten vormden tezamen de grote gemeente. Het Nieuw Testamentische pesach, het Avondmaal van de Heer, behoort door niemand verzuimd te worden, die instaat is het te vieren. Wie tevreden en gerust de gedachtenisviering van zo'n grote verlossing kan verzuimen of veronachtzamen, is de naam van Israëliet niet waardig.
2. Geen vreemdeling, die onbesneden was, mocht toegelaten worden om er van te eten vers 43, 45, 48. Niemand mocht aanzitten dan zij, die inkwamen door de deur, en zo mag ook niemand tot de versterkende inzetting van het avondmaal van de Heer naderen, die niet eerst onderworpen is aan de inzetting van de doop. Wij moeten wedergeboren zijn door het woord, eer wij er door gevoed kunnen worden. En niemand zal delen in het voordeel, de vrucht, van Christus' offerande die niet eerst besneden is van hart, Colossenzen 2:11.
3. Alle vreemdelingen, die besneden waren mochten toegelaten worden om van het paasmaal te eten, zelfs dienstknechten, vers 44. Indien zij door de besnijdenis zich schuldenaars wilden maken aan de wet in haar lasten, dan waren zij welkom om te delen in de blijdschap van haar plechtige feesten, maar niet anders. Slechts wordt te kennen gegeven, in vers 48, dat zij die hoofden van gezinnen waren, niet slechts zelf besneden moesten zijn, maar er voor moesten zorgen, dat ook al de mannelijke leden van hun gezin besneden waren. Indien wij ons in oprechtheid en met de ijver, die de zaak vereist en verdient aan God overgeven, dan zullen wij, met onszelf, Hem ook alles overgeven wat wij hebben, en al het mogelijke doen om al het onze ook het Zijne te doen wezen. Hierin is reeds vroeg een aanduiding van gunst jegens de arme heidenen, namelijk dat de vreemdeling, zo hij besneden is, op gelijke bodem staat met de geboren Israëliet. Enerlei wet voor de ingeborene en de vreemdeling, vers 49. Dit leerden de Joden, dat het hun toewijding was aan God, en niet hun afkomst van Abraham, die hun recht gaf op deze voorrechten. Een oprecht proseliet was even welkom voor het pesach als de ingeboren Israëliet, Jesaja 56:6, 7.
4. In een huis zal het gegeten worden, vers 46, ter aangename gemeenschap, opdat zij zich samen verheugen, en elkaar onder het eten er van zouden stichten. Er mocht niets van naar een andere plaats gebracht worden of overgelaten worden voor een andere tijd, want God wilde niet dat zij zó ingenomen zouden zijn door zorg voor hun vertrek, dat zij ongeschikt werden om er van te genieten, maar dat zij goedsmoeds Egypte zouden verlaten en de woestijn ingaan, en ten teken daarvan een goed maal zouden nuttigen. Als de papisten hun gewijde ouwel van huis tot huis dragen, is dit niet alleen bijgelovig op zichzelf, maar in tegenspraak met deze typische wet van het pesach, waarbij het verboden was om enig deel van het lam elders heen te brengen.
Het hoofdstuk eindigt met een herhaling van de gehele zaak, dat de kinderen van Israël deden zoals hun geboden was, en dat God voor hen deed wat Hij beloofd had, vers 50, 51, want Hij zal voorzeker allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van eeuwige zaligheid worden.