Leviticus 1:10-17
Hier hebben wij de wetten betreffende de brandoffers, die uit klein vee of gevogelte bestonden. Die tot de middenstand behoorden en het niet goed konden bekostigen om een rund te offeren, zouden een schaap of geitebok brengen, en zij, die ook hiertoe niet instaat waren, zullen door God aangenomen worden, als zij een tortelduif of jonge duif brengen. Want in Zijn wet en in Zijn Evangelie zowel als in Zijn voorzienigheid, bemerkt God de armen. Het is opmerkelijk dat die schepselen tot offers gekozen werden, die zeer zacht van aard zijn, onnozel en onschadelijk om een type te zijn van de onschuld en zachtmoedigheid, die in Christus waren, en de onschuld en zachtmoedigheid te leren, die in christenen behoren te zijn. Er worden hier bevelen gegeven:
1. Betreffende de brandoffers van klein vee, vers 10. De methode om die te behandelen is tamelijk gelijk aan die van de runderen, slechts wordt hier bevolen, dat het offer geslacht moet worden aan de zijde van het altaar noordwaarts, hetgeen, hoewel slechts hier vermeld, waarschijnlijk echter ook voor de vorige en andere offeranden aldus werd in acht genomen. Misschien was er aan die kant van het altaar de grootste lege ruimte en plaats voor de priesters om er zich te bewegen. Vanouds werd de opmerking gemaakt, dat fraai weer uit het noorden komt, en dat de noordenwind den regen verdrijft, en door deze offeranden worden de stormen van Gods toorn verdreven, en wordt het licht van Gods aangezicht verkregen, hetgeen lieflijker is dan het schoonste, helderste weer.
2. Betreffende die van het gevogelte. Het moeten of tortelduiven zijn, en zo die het zijn, moeten het oude tortelduiven wezen, (zeggen de Joden) of jonge duiven. Hetgeen op de tafel van de mensen het aangenaamst was, dat moest op Gods altaar gebracht worden. Als deze vogels geofferd werden, dan moest:
a. Hun de kop gespleten, of afgewrongen worden. "Er geheel afgewrongen," zeggen sommigen, maar anderen denken, alleen geknepen, zodat de vogel gedood werd, maar de kop aan het lichaam bleef hangen. Het is echter meer waarschijnlijk, dat het er geheel van afgescheiden werd, want het moest het eerst verbrand worden.
b. Het bloed moest aan de wand van het altaar uitgeduwd worden.
c. De afval met de veren moest op de mesthoop worden geworpen.
d. Het lichaam moest worden geopend, met zout bestrooid, en dan op het altaar verbrand worden. "Dit offer van gevogelte", zeggen de Joden, "was een van de moeilijkste diensten, welke de priesters hadden te verrichten," om hun, die in het heilige dienen te leren, dat zij even bezorgd moeten wezen voor de zielen van de armen als van de rijken, want hun diensten zijn aan God, als zij uit een oprecht hart voortkomen, even welbehaaglijk als de diensten van de rijken, want Hij verwacht naar hetgeen iemand heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft, 2 Corinthiërs 8:12. Van de armen tortelduiven of jonge duiven wordt hier evengoed gezegd, dat het een brandoffer is als een lieflijke reuk voor de Heer, als van een rund dat hoornen en hoeven heeft. En met dat al: God lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, dat is "meer dan al de brandofferen en al de slachtofferen," Markus 12:33.