Deuteronomium 33:18-21
Wij hebben hier de zegeningen van Zebulon en Issaschar samengevoegd, want beide waren zij de zonen van Jakob bij Lea, en door de ligging van hun erfdeel in Kanaän waren zij buren. Er is voorzegd:
I. Dat beide een goede vestiging en een aangenaam werk zullen hebben, vers 18. Zebulon moet zich verheugen, want hij zal er reden toe hebben, en Mozes bidt dat hij er reden toe zal hebben in zijn uittocht, hetzij in de strijd, want Zebulon heeft zijn ziel versmaad ten dode dat is: heeft zijn leven in de waagschaal gesteld op de hoogten des velde, Richteren 5:18, of liever, naar de zee, want Zebulon was aan de haven van de schepen, Genesis 49:13. En Issaschar moet zich verheugen in zijn hutten, dat is in zijn bedrijf thuis, de landbouw, waarop de mannen van die stam zich gewoonlijk toelegden, want zij zagen dat rust goed was, en dat als de zee onstuimig was, het land aangenaam was, Genesis 49:14, 15
Laat ons hier opmerken.
d. Dat gelijk Gods voorzienigheid de bepalingen van van de mensen woningen verschillend heeft verordineerd, sommigen in de stad, en sommigen op het land, sommigen in zeehavens en anderen meer in steden van het binnenland, zo heeft zij ook wijselijk van de mensen neigingen gericht naar onderscheidene bezigheden tot welzijn van het publiek, gelijk ieder lid van het lichaam geplaatst en geschikt gemaakt is ten diepste van het geheel. De geest of geaardheid van sommige mensen leidt hen naar wetenschap, die van anderen naar de zee, van nog anderen naar de strijd. Sommigen voelen neiging voor landelijke bezigheden, anderen voor de handel, en sommigen hebben aanleg voor kunsten, en het is goed, dat het zo is. Ware het gehele lichaam het oog, waar zou het gehoor zijn? 1 Corinthiërs 12:17. Het was ten algemene nutte van Israël, dat de mannen van Zebulon kooplieden waren en de mannen van Issaschar landbouwers.
b. Dat, waar ook onze plaats zij, en waarin onze werkzaamheden ook bestaan, het onze wijsheid zal wezen en onze plicht, om er ons naar te schikken, en het is een groot geluk om er genoegen in te vinden. Zebulon verheuge zich in zijn uittochten, hij danke God voor de winsten en drage met geduld en onderworpenheid de verliezen en de ongerieflijkheden van zijn koopmanschap, hij verachte de geringheid er van niet, en benijde de rust niet van Issaschars hutten. Issaschar verheuge zich in zijn hutten, laat zijn afzonderingen hem gevallen, en laat hem tevreden wezen met zijn landelijke bezitting, en niet morren omdat hij Zebulons genoegen niet heeft van te reizen en van zijn winsten in de handel. Ieder bedrijf heeft zijn gerieflijkheden en zijn ongerieflijkheden, en daarom moeten wij ons met het hart toeleggen op het werk, dat God ons te doen heeft gegeven, waarin dit ook moge bestaan, en het is wezenlijk een groot geluk om tevreden te zijn met ons lot, Dat is een gave Gods, Prediker 5:18.
2. Dat zij beide in hun plaats dienstbaar zullen zijn aan de ere Gods en de Godsdienstige belangen van de natie, vers 19. Zij zullen de volken tot de berg roepen, dat is: tot de tempel, want Mozes voorzag dat die op een berg gebouwd zal worden. Ik zie niet waarom dit tot Zebulon beperkt moet worden (zoals de meeste uitleggers doen). Indien beide Zebulon en Issaschar het aangename en het nut van hun onderscheiden bezigheden hebben waarom zouden wij dan niet veronderstellen dat zij beide zorg droegen om er God de eer van te geven? Twee dingen zullen zij voor God doen. A. Zij zullen anderen nodigen tot Zijn dienst, de volken tot de berg roepen.
a. Zebulon zal zijn bekendheid en omgang met naburige volken, tot welke hij uitgaat, tot dit edele doel gebruiken: de Godsdienst onder hen bekend te maken en te bevorderen, en hen tot de dienst van de God Israëls te nodigen. Mannen van veel zaken en grote omgang met anderen moeten met verstand en ijver pogen om het beoefenen van ernstige Godsvrucht aan te bevelen aan hen, met wie zij verkeren en onder wie zij hun zaken doen. De zodanigen zijn gezegend, want zij zijn tot zegen. Het zou goed zijn indien de toeneming van handelsbetrekkingen met vreemde landen dienstbaar gemaakt kon worden aan de verspreiding van het Evangelie. Deze profetie betreffende Zebulon ziet misschien wel op de prediking van Christus en Zijn apostelen, die begonnen is in het land van Zebulon, Mattheus 4:14, 15, en zij riepen de volken tot de berg, dat is: tot het koninkrijk van de Messias, dat genoemd is de berg van het huis des Heeren, Jesaja 2:2.
b. Issaschar, die thuis blijft en in tenten woont, zal zijn buurman roepen om op te gaan naar het heiligdom, op de tijden vastgesteld voor hun plechtige feesten, hetzij omdat zij ijveriger en voortvarender zijn dan hun naburen (en het is dikwijls opgemerkt dat, hoewel zij, die bij Zebulon wonen in de haven van de schepen, die drukke plaatsen zijn, waar veel mensen bijeenkomen, meestal meer hebben van het licht van de Godsdienst, zij, die met Issaschar wonen in tenten op het land, meer van het leven en de warmte er van hebben) en zij kunnen daarom door hun ijver diegenen tot een heilige mededinging opwekken, die meer kennis hebben, Psalm 122:1, of: omdat zij meer dan anderen de tijden waarnamen, die voor hun feesten waren vastgesteld. Eén van de Chaldeeuwse parafrasten geeft van het vorige vers deze lezing: Verheug u, Issaschar in de tenten uwer scholen, in de veronderstelling dat velen van hun geleerden zullen zijn en hun geleerdheid zouden gebruiken om met de wenteling des jaars kennis te geven van het naderen van de feesten, want de almanakken waren toen niet zo algemeen als nu. En Onkelos inzonderheid: Verheug u, Issaschar, als gij de tijden van de plechtige feesten te Jeruzalem gaat berekenen, want dan zullen de stammen Israëls vergaderd worden op de berg van het huis des heiligdoms. Zo leest hij het begin van dit vers, en velen denken dat dit de betekenis is van die eigenschap van de mannen van Issaschar in de tijd van David: dat zij ervaren waren in het verstaan van de tijden, om te weten wat Israël doen meest, I Kronieken 12:32. En de hoedanigheid, die volgt in vers 33, van de mannen van Zebulon, dat zij dezulken waren, die uitgingen in het leger, ervaren zijnde in de strijd, kan wellicht de zegen, hier over deze stam uitgesproken, verklaren. Zij, die niet zoals Zebulon de gelegenheid hebben om diegenen in de kerk te brengen, die nog buiten zijn, kunnen toch zeer dienstbaar zijn aan haar belangen door mee te helpen om hen, die binnen zijn op te wekken, aan te moedigen en op te bouwen. En het is een goed werk om de mensen tot de inzettingen Gods te roepen, de herinnering op te wekken van hen, die vergeetachtig zijn, de tragen op te wekken, die wel willen volgen, maar niet gaarne zouden willen voorgaan.
B. Zij zullen niet slechts anderen tot de dienst van God nodigen, maar er zelf overvloedig in zijn, daar zullen zij offeranden van de gerechtigheid offeren. Zij zullen niet anderen naar de tempel zenden en zelf thuis blijven onder voorwendsel, dat zij niet uit hun zaken weg kunnen, maar als zij anderen aansporen om vlijtig henen te gaan om het aangezicht des Heeren te smeken, dan zullen zij zeggen: wij zullen ook heengaan, zoals in Zacharia 8:21. Het goede, waartoe wij anderen aansporen, daar moeten wij zelf het voorbeeld van wezen. En als zij tot de tempel komen, dan zullen zij niet ledig voor het aangezicht des Heeren verschijnen, maar voor de eer en de dienst van God medebrengen, naardat Hij hun welvaren heeft gegeven, 1 Corinthiërs 16:2. a.Hier is voorzegd dat beide deze stammen rijk zullen worden. Zebulon, die buitenslands gaat, zal de overvloed van de zeeën zuigen, die volle borsten zijn voor de kooplieden, terwijl Issaschar, die tehuis blijft, zich zal verrijken met de verborgen dingen, de schatten, des zands, hetzij met de vruchten van de aarde of de onderaardse schatten van metalen en mineralen of (daar het woord, hier door zand vertaald, eigenlijk het zand van de zee betekent) de rijke dingen, opgeworpen door de zee, want Issaschars erfdeel reikte tot aan de zeeoever. Misschien wordt hun voorspoed in het roepen van de volken tot de berg aangeduid door hun zuigen van de overvloed van de zeeen, want wij hebben een zelfde zegswijze gebruikt voor het toebrengen van de volken tot de kerk in Jesaja 60:5. de menigte van de zee zal tot u gekeerd worden, en in vers 16 :gij zult de melk van de heidenen zuigen. Er is voorzegd:
b. Dat deze stammen, aldus verrijkt zijnde, hun gewin de Heere zullen verbannen, dat is wijden, en hun vermogen de Heere van de gehele aarde Micha 4:13. Dat de koophandel van Zebulon en het hoerenloon van Issaschar de Heere heilig zijn zullen, Jesaja 23:18, want daaruit zullen zij offeranden van de gerechtigheid offeren, dat is offeranden overeenkomstig de wet. Wij moeten God dienen en eren met hetgeen wij hebben, en waar Hij overvloedig zaait, daar verwacht Hij dienovereenkomstig te oogsten. Zij, die de overvloed van de zeeen zuigen en de bedekte verborgen dingen des zands, moeten in evenredigheid daarvan offeranden van de gerechtigheid offeren.
II. Vervolgens komt de zegen over de stam van Gad, vers 20, 21. Dit was één van de stammen, die alreeds gevestigd waren aan de zijde van de Jordaan, waar Mozes zich nu bevond.
1. Hij voorzegt wat deze stam zijn zal, vers 10. a. Dat hij verruimd zal worden, gelijk hij thans reeds een ruim deel had, en hij geeft God de eer beide van Zijn tegenwoordige en toekomstige uitbreiding. Gezegend zij, die Gad ruimte maakt. Wij bevinden hoe deze stam verruimd werd door zijn voorspoed in de strijd, die zij zeer nauwgezet tegen de Hagarenen hebben gevoerd, 1 Kronieken 5:19, 20, 22. Aan God moet de eer worden gegeven van al onze verruimingen.
b. Dat hij een dappere en zegevierende stam zal zijn, die met rust gelaten zijnde, veilig en onbevreesd zou wonen als een leeuw, maar getergd zijnde als een leeuw zal verscheuren de arm, ja ook de schedel, dat is: alles zal verscheuren en vertreden wat hem in de weg is, beide de arm, dat is: de kracht, en de schedel, dat is de staatkunde en het gezag van zijn vijanden. In Davids tijd waren er Gadieten, wier aangezichten waren als aangezichten der leeuwen, 1 Kronieken 12:8. Sommigen houden Jehu voor een Gadiet, omdat wij voor het eerst melding van hem zien gemaakt te Ramoth in Gilead, dat tot Gad behoorde, en zij denken dat dit op zijn dappere daden betrekking kan hebben.
2. Hij prijst die stam voor hetgeen zij gedaan hadden, en nu deden, vers 21.
a. Zij hadden verstandig gehandeld voor zichzelf toen zij hun erfdeel met de eersten kozen in een land, dat reeds veroverd was. Hij heeft zich van het eerste voorzien, hoewel hij zorg had voor zijn broederen, begon zijn liefdadigheid toch thuis, dat is met zichzelf, en hij wilde gaarne het eerst bediend, het eerst gevestigd zijn. De Gadieten waren de eerste en dringendste voorstellers om een erfdeel te ontvangen aan die zijde van de Jordaan, en daarom worden zij nog vóór de Rubenieten genoemd in de geschiedenis van deze zaak, Numeri 32:2. En terwijl dus aan de andere stammen hun erfdeel door Jozua, de veroveraar, werd toegewezen, werd aan Gad en zijn metgezellen hun erfdeel toegewezen door Mozes, de wetgever, en zij werden er in gevestigd door de wet, of, (zoals het woord is) bedekt, of beschermd door de bijzondere leiding van Gods voorzienigheid, die waakte over hen, die achterbleven, terwijl de krijgslieden voorttrokken met hun broeders. De mensen loven u, omdat gij uzelf goed doet (als gij het eerst voor uzelf zorgt, zoals Gad gedaan heeft) Psalm 49:19. En God zal u loven als gij goed doet aan uw ziel, die in waarheid gij zelf zijt, en het eerst daarvoor zorgt in een erfdeel van de wetgever.
b. Zij handelden nu eerlijk en kloekmoedig met hun broeders, want zij kwamen met de hoofden van het volk, voor wier aangezicht zij over de Jordaan gingen, om de gerechtigheid des Heeren te verrichten aan de Kanaänieten onder de leiding van Jozua, aan wie wij hen later plechtig gehoorzaamheid zullen zien beloven, Jozua 1:12, 16. Dit hadden zij op zich genomen te doen, toen hun hun erfdeel was toegewezen, Numeri 32:27. En dit hebben zij gedaan, Jozua 4:12. En toen de oorlogen van Kanaän geëindigd waren, heeft Jozua hen weggezonden met een zegen, Jozua 22:7. Het is een gezegende en eervolle zaak om onze broeders behulpzaam te zijn in hun zaken, en inzonderheid om mee te werken in het verrichten van de gerechtigheid des Heeren, door datgene te onderdrukken of weg te doen wat Hem tergt en mishaagt, dit was het, wat aan Pinehas tot gerechtigheid werd gerekend.