Numeri 21:21-35
Wij hebben hier een bericht van de overwinningen, behaald door Israël over Sihon en Og, welke overwinningen afzonderlijk beschouwd moeten worden, niet alleen omdat zij apart verhaald zijn, maar omdat zij lang daarna in de gedachtenis er van afzonderlijk tot Gods lof werden bezongen als voorbeelden van Gods eeuwige goedertierenheid. Hij heeft heerlijke koningen gedood, "Sihon, de Amorietischen koning, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Og, de koning van Basan, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid" Psalm 136:19, 20.
I. Israël zond een vreedzame boodschap aan Sihon, koning van de Amorieten, vers 21, maar ontving een niet vreedzaam antwoord, een nog ongunstiger antwoord dan dat van de Edomieten op een gelijke boodschap, Hoofdstuk 20:18, 20. Want de Edomieten weigerden hun slechts de doortocht en wilden zich tegen hen verdedigen zo zij hun land wilden binnentrekken, maar Sihon trok uit met zijn strijdmacht tegen Israël in de woestijn, buiten zijn landsgrens, en zo ging hij uit op zijn verderf. Jeftha geeft te kennen dat hij door zijn staatkunde hiertoe geleid werd, Richteren 11:20. Sihon stond Israël niet toe door zijn land te trekken, maar zijn staatkunde bedroog hem, want Mozes zegt: "De Heere verhardde zijn geest en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in de hand van Israël gave," Deuteronomium 2:30. De vijanden van Gods kerk zijn dikwijls verdwaasd, juist in die raadslagen, die zij zo wijs achten. Sihons leger werd verslagen, en heel zijn land kwam in het bezit van Israël, vers 24, 25.
Deze inbezitneming is:
1. Tegen de Amorieten zelf gerechtvaardigd, want zij waren de aanvallers, en hebben Israël ten strijde gedaagd, en toch zou dit wellicht niet voldoende geweest zijn om Israël recht te geven op hun land, maar God zelf, de Koning van de volken, de Heer van de gehele aarde, had het hun geschonken. De Amorieten waren een van de volken, die uitgeroeid moesten worden, en wier land God aan Abraham en zijn zaad beloofd had, welke belofte vervuld zal worden als de ongerechtigheid van de Amorieten volkomen zal zijn geworden, Genesis 15:16. Jeftha wijst op deze schenking als op hun recht, Richteren 11:23, 24. De overwinning, die God hun gaf over de Amorieten, stelde hen in het bezit van hun land, en krachtens de belofte, gedaan aan hun vaderen, hadden zij er recht op, en behielden zij dus het bezit er van.
2. Tegen de Moabieten, die vroeger de eigenaren waren van dit land, indien zij het ooit mochten opeisen, en er op zouden pleiten dat God zelf bepaald had, dat "geen erfenis van hun land aan Israël gegeven zou worden," Deuteronomium 2:9. Mozes voorziet hier het nageslacht van een wederantwoord op hun pleiten, en Jeftha maakt er tweehonderd zestig jaren later gebruik van, toen Israëls recht op dit land betwist werd.
A. De rechtvaardiging bestaat hierin, dat dit land wel aan de Moabieten had behoord, maar dat de Amorieten het hun enige tijd tevoren hadden ontnomen, en nu ervan in het rustig bezit waren, vers 26. De Israëlieten hebben het niet aan de Moabieten ontnomen, deze hadden het tevoren verloren aan de Amorieten, en zij waren genoodzaakt hun aanspraken er op op te geven. Toen Israël het nu op de Amorieten had veroverd, waren zij niet onder de verplichting om het aan de Moabieten terug te geven, wier recht er op nu al lang verjaard was. Zie hier het onzekere van wereldlijke bezittingen, hoe dikwijls zij van eigenaar veranderen, en hoe spoedig wij er van beroofd kunnen zijn zelfs als wij er ons in het zekerste bezit van wanen, "zij maken zich vleugelen." Wij zullen dus wijs doen om ons te verzekeren van het goede deel, dat ons niet ontnomen kan worden. Zie ook de wijsheid van de Goddelijke voorzienigheid, waardoor lang tevoren toebereidselen gemaakt zijn voor de vervulling van al de voornemens Gods op hun tijd. Dit land, dat bestemd is voor Israël, komt tevoren in de handen van de Amorieten, die weinig denken dat zij het slechts als beheerders hebben, totdat Israël meerderjarig wordt, en dat zij het dan moeten overgeven. Wij begrijpen de grote middelen en doeleinden Gods niet, maar Gode zijn al Zijn werken bekend, zoals blijkt uit dit voorbeeld, dat Hij "de landpalen van de volken gesteld heeft naar het getal van de kinderen Israëls," Deuteronomium 32:8. Al het land, dat Hij voor Zijn uitverkoren volk bestemd had, heeft Hij in het bezit gegeven van de gevloekte volken, die uitgedreven moesten worden.
B. Ten bewijze van hetgeen hij aanvoert verwijst hij naar de authentieke archieven van het land, want dat waren hun spreekwoorden of liederen, uit een waarvan hij enige plaatsen aanhaalt, vers 27-30, dat genoegzaam bewijst wat hier verklaard wordt, namelijk:
a. Dat de plaatsen, die hier genoemd zijn, wel in het bezit van de Moabieten geweest waren, maar door recht van verovering onder de heerschappij kwamen van Sihon, de koning van de Amorieten. Hesbon is zijn stad geworden, en hij heeft er zo ongestoord bezit van gekregen, dat zij voor hem gebouwd en bevestigd werd, vers 27. Evenzo zijn het land van Dibon en Nofah onderworpen, en bij het koninkrijk van de Amorieten ingelijfd, vers 30.
b. Dat de Moabieten volstrekt niet in staat waren om het ooit weer in bezit te krijgen. Zelfs Ar van de Moabieten, hoewel niet door Sihon genomen, maar nog altijd de hoofdstad van Moab, was toch zo verzwakt door het verlies van die delen van het land, dat zij niet instaat was een vijand het hoofd te bieden vers 28. De Moabieten waren verloren, en zelfs Kamos, hun God, had hen opgegeven, als niet instaat om hen uit de handen van Sihon te verlossen, vers 29. Uit dit alles blijkt, dat aanspraken van de Moabieten op dit land voor altijd uitgesloten waren. Er kan nog een andere reden zijn voor de opneming van dit gedicht van de Amorieten, namelijk om te tonen dat het triumferen van de goddelozen van korte duur is. Zij, die de Moabieten hadden overwonnen en over hen hadden gejuicht, zijn nu zelf overwonnen door Gods Israël, die over hen juichen. Het is zeer waarschijnlijk dat het dezelfde Sihon, koning van de Amorieten, was, die dit land op de Moabieten had veroverd, die het nu aan de Israëlieten verloor, want er is wel gezegd, dat het op een vorige koning van Moab veroverd was, vers 26, maar niet door een vorige koning van de Amorieten, en dan toont het dat de gerechtigheid de mensen soms spoedig doet verliezen hetgeen zij door geweld verkregen hebben, en op welk onrechtmatig gewin zij zo trots waren. Zij zijn slechts een weinig tijds verheven.
II. Og, de koning van Basan, inplaats van gewaarschuwd te zijn door het lot, dat zijn naburen getroffen heeft, om vrede te maken met Israël, wordt er door aangespoord om hun de krijg aan te doen, hetgeen evenzo op zijn eigen verderf uitliep. Og was ook een Amoriet en hij dacht misschien beter dan zijn naburen instaat te zijn om te vechten tegen Israël en van hen te winnen, vanwege zijn eigen reusachtige kracht en statuur, waarvan Mozes nota neemt, Deuteronomium 3:11, waar hij een vollediger bericht geeft van deze gebeurtenis.
Merk hier op:
1. Dat de Amoriet de krijg begint, vers 33. Hij ging uit hun (Israël) tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd in Edreï: Zijn land was zeer rijk en lieflijk. Basan was vermaard voor het beste hout, (getuige de eikebomen van Basan) en het beste ras van vee, (getuige de stieren en koeien van Basan) en de lammeren en rammen van dat land waren beroemd, Deuteronomium 32:14. Goddeloze mensen doen hun uiterste best om zich hun bezittingen te verzekeren tegen de oordelen Gods, maar tevergeefs, als hun dag komt moeten zij vallen.
2. Dat God belang stelt in de zaak, aan Israël zegt niet te vrezen voor deze dreigende macht, en hun een volkomen overwinning belooft. "Ik heb hem in uw hand gegeven, vers 34, de zaak is reeds zo goed als afgedaan, het land is geheel het uwe, treedt het binnen en neemt er bezit van. Reuzen zijn voor Gods macht slechts wormen.
3. Dat Israël meer dan overwinnaar is, niet alleen het leger van de vijand verslaat, maar het land van de vijand in bezit neemt, dat later een deel werd van het erfdeel van de twee en een halve stam, die zich aan deze zijde van de Jordaan hebben gevestigd. God gaf aan Israël deze voorspoed terwijl Mozes nog met hen was, zowel tot zijn eigen vertroosting, opdat hij het begin zou zien van het heerlijke werk waarvan hij het einde niet zal beleven, als tot bemoediging van het volk in hun oorlog met Kanaän onder Jozua. Hoewel dit vergelijkender wijs voor hen slechts was als de dag van kleine dingen, was het toch een voorproef en onderpand van grote dingen.