1 Corinthiërs 12:12-26
De apostel licht hier de juistheid toe van hetgeen hij hierboven gezegd heeft, en drukt den Corinthiërs, die gaven ontvangen hebben, hun verplichting op het hart, door de gemeente van Christus te vergelijken bij het menselijk lichaam.
I. Hij zegt ons dat het lichaam wel vele leden heeft, maar dat al de leden van hetzelfde lichaam slechts een lichaam vormen, vers 12.
Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, alzo ook Christus, dat is de mystieke Christus, gelijk de godgeleerden het gewoonlijk noemen. Christus en Zijne gemeente vormen een lichaam, als het hoofd en de leden, dat lichaam bestaat uit vele delen of leden, maar heeft slechts een hoofd.
Al de leden zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt, vers 13. Joden en heidenen, dienstknechten en vrijen, allen staan hierin gelijk, allen zijn gedoopt tot een lichaam, allen hebben deel aan dezelfden Geest. De Christenen worden leden van dit lichaam door den doop, ze zijn gedoopt tot een lichaam. De uitwendige plechtigheid van deze goddelijke instelling, die beeld is der nieuwe geboorte, wordt daarom het bad der wedergeboorte genoemd, Titus 3:5. Maar het is door den Geest, door de vernieuwing des Heiligen Geestes, dat wij leden van het lichaam van Christus gemaakt worden. Het is de werking des Geestes, afgebeeld door de uitwendige handeling, die ons leden maakt. En door deelneming aan de andere instelling, worden wij onderhouden, maar niet door het enkel drinken van den wijn, doch door het gedrenkt worden met den Geest. De uitwendige handeling is een door God verordend middel, waardoor we deel krijgen aan deze grote zegening, maar het is de doop door den Geest, het is de innerlijke vernieuwing en het gedrenkt worden met den Geest, die ons gestadig Zijn heiligenden invloed mededeelt, welke ons ware leden van het lichaam van Christus maakt en onze vereniging met Hem onderhoudt. Het bezield zijn door dezelfden Geest maakt de Christenen een lichaam. Allen, die den Geest van Christus hebben, zonder onderscheid, zijn leden van Christus, hetzij Joden of heidenen, dienstknechten of vrijen, en die alleen. En al de leden van Christus maken tezamen een lichaam uit, vele leden en een lichaam. Zij zijn een lichaam, omdat zij een levensbeginsel hebben, allen zijn bezield door dezelfden Geest.
II. Elk lid heeft zijn eigen gedaante, plaats en nut.
1. Het geringste lid is deel van het lichaam. De voet en het oor zijn misschien minder nuttig dan de hand en het oog, maar omdat de ene niet de hand is en het andere niet het oog, moeten zij daarom zeggen, dat ze niet tot het lichaam behoren? vers 15, 16. Zo kan niet elk lid van het mystieke lichaam dezelfde plaats en werkkring hebben, maar wat dan? Moet het daarom zijne betrekking tot het lichaam ontkennen? Moet het, omdat het niet in dezelfde plaats gesteld is of dezelfde gaven ontvangen heeft als de andere, zeggen: "Nu behoor ik niet aan Christus?" Neen, het geringste lid is zo goed een deel van het lichaam, als het voortreffelijkste, en evenzo door Hem geacht. Al Zijn leden zijn Hem dierbaar.
2. Daar moet in het lichaam onderscheid tussen de leden zijn. Ware het gehele lichaam oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het geheel oor, waar zou de reuk zijn? vers 17. Waren ze allen slechts een lid, waar zou het lichaam zijn? vers 19. Er zijn vele leden, en daarom moet er onderscheid zijn, maar er is slechts een lichaam, vers 20. Een lid van het lichaam is geen lichaam, dat is samengesteld uit vele leden, en er moet tussen deze onderscheid zijn, verschil van plaats, vorm, doel enz. Zo is het ook in het lichaam van Christus, Zijn leden moeten onderscheiden nut hebben, daarom hebben ze verschillende gaven, en zijn in verschillende plaatsen, het ene met die, en het andere met deze gave. Verscheidenheid in de leden verhoogt de schoonheid van het lichaam. Welk een monster zou het lichaam zijn, indien het geheel oor, of oog, of arm ware! Zo verhoogt het ook de schoonheid en het goede voorkomen van de gemeente, dat er in haar verscheidenheid van gaven en bedieningen is.
3. De bestemming van de leden in een natuurlijk lichaam, en hun plaatsing, is zoals het Gode behaagt. Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft, vers 18. Wij kunnen zeer duidelijk de wijsheid Gods opmerken in de verdeling van de leden, het is gemaakt overeenkomstig den raad van Zijn wil, Hij heeft ze onderscheiden en geplaatst naar Zijn welgevallen. Zo is het ook met de leden van Christus' lichaam, zij zijn verkoren tot zulke plaatsen en voorzien van zulke gaven, als Gode behaagde. Hij, de vrijmachtige Heere, deelt Zijn gunsten en gaven uit gelijk Hij wil. En wie zal Zijn welbehagen betwisten? Welke reden is hier om ons zelven te beklagen of anderen te benijden? Wij behoren de plichten van onze eigen plaats te vervullen en niet in ons zelven te murmureren of met anderen te twisten omdat wij niet in hun plaats zijn.
4. Al de leden van het lichaam zijn, in zeker opzicht, nuttig en nodig voor elkaar. Het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet van node, of wederom het hoofd tot de voeten: ik heb u niet van node, zelfs die leden van het lichaam, die ons dunken de zwakste te zijn (de ingewanden en dergelijke) die zijn nodig, vers 22. God heeft ze alle zo geplaatst en voor elkaar bestemd, dat ze alle voor elkaar nodig zijn evenals voor het gehele lichaam, er is geen enkel doelloos of onnodig. Elk lid dient tot een of ander goed doel, het is nuttig voor zijn medeleden en onmisbaar voor het welzijn van het lichaam. Zo is er geen enkel lid van het lichaam van Christus, dat niet kan en moet nuttig zijn voor zijn medeleden, en soms, in sommige gevallen, voor de andere onmisbaar is. Het ene lid zal dus het andere niet verachten of benijden, want God heeft het onderscheid tussen hen gemaakt naar Zijn welbehagen, zodat ze in zekeren graad van elkaar afhankelijk zijn, en voor elkaar waarde verkrijgen, en voor elkaar zorg dragen omdat ze voor elkaar nuttig zijn. Zij, die door een of andere gave uitblinken, kunnen niet zeggen dat ze de andere niet behoeven, wier gaven van minder belang zijn, omdat die wellicht in andere gaven den voorrang hebben. Zelfs de geringste leden hebben hun nut, en de voornaamste kunnen het niet buiten hen stellen. Het oog behoeft de hand, en het hoofd den voet.
5. De mens draagt in die mate zorg voor zijn gehele lichaam, dat wij die, welke ons dunken de minst-eerlijke leden des lichaams te zijn, overvloediger eer aandoen, en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering. Die delen, welke niet, gelijk de overige, geschikt zijn om aan het gezicht blootgegeven te worden, omdat ze minder schoon gevormd of schaamdelen zijn, moeten we zorgvuldig kleden en bedekken, waaraan de schonere leden geen behoefte hebben. De wijsheid der Voorzienigheid heeft de dingen zo saamgevoegd en onderling verbonden, dat de meeste zorg en ere besteed wordt aan de leden, die daar het meest behoefte aan hebben, vers 24. Zo moeten ook de leden van het lichaam van Christus zich gedragen jegens hun medeleden, in plaats van hen te verachten of te verwijten om hun onvolmaaktheid, moeten zij trachten hen te bedekken en te eren, en de meest-welwillende houding jegens hen aannemen. 6. De goddelijke wijsheid heeft de leden zo verbonden en geordend, dat ze niet tegen elkaar verdeeld raken, niet van elkaar gescheiden worden door het najagen van tegenstrijdige belangen, maar aan elkaar gehecht zijn, en medegevoel hebben voor elkanders leed, zowel als mededelen in elkanders vreugde en blijdschap, vers 25, 26. God heeft de leden in het gewone lichaam zo samengevoegd, dat er geen tweedracht in het lichaam is, vers 25, geen twist of onenigheid tussen de leden onderling, zelfs niet de geringste onachtzaamheid. Dat moet dus evenzeer vermeden worden in het lichaam van Christus. Daar behoort geen scheiding in dat lichaam te zijn, de leden moeten innig met elkaar verenigd zijn door de sterkste banden der liefde. Alle haperingen in deze toegenegenheid zijn zaden van tweedracht. Indien Christenen koel tegen elkaar worden, zullen zij spoedig zorgeloos en onachtzaam voor elkaar zijn. En die wederzijdse onachtzaamheid is de aanvang van scheuring. De leden van het natuurlijke lichaam zijn zo gemaakt, dat ze. voor elkaar zorg en oplettendheid hebben, en dus verdeeldheid voorkomen. Zo moet het in het lichaam van Christus zijn, de leden moeten met elkaar overeenstemmen. Gelijk in het natuurlijke lichaam de pijn van een lid al de andere bedroeft, het gemak en het genoegen van een al de andere verheugt, zo behoren Christenen zich vereerd te gevoelen in de eer van hun medebelijders en te delen in hun droefheid. Christelijk medegevoel is een belangrijk onderdeel van den plicht eens Christens. We moeten er zover vanaf zijn het lijden van onze broederen licht te tellen, dat wij met hen lijden, zover van hun eer te benijden, dat we ons met hen verheugen alsof de eer ons zelven bewezen ware.