Deuteronomium 33:12-17
I. Hier is de zegen van Benjamin, vers 12. Benjamin komt na Levi, omdat de tempel, waarin het werk van de priesters lag, zich juist aan de grens bevond van het erfdeel van die stam, en hij komt voor Jozef vanwege de waardigheid van Jeruzalem (dat gedeeltelijk in die stam lag) boven Samaria, dat in de stam van Efraïm lag, en omdat Benjamin het huis van David en de tempel des Heeren aanhing, toen de overige stammen met Jerobeam beide hebben verlaten
1. Benjamin wordt hier de beminde des Heeren genoemd, daar de vader van die stam Jakob's beminde zoon was, de zoon van zijn rechterhand. Diegenen zijn in waarheid gezegend, die de beminden des Heeren zijn. Saul, de eerste koning, en Paulus, de grote apostel, waren beide uit die stam.
2. Hij wordt hier verzekerd van de bescherming Gods, hij zal zeker wonen. Zij, die door God worden bemind, zijn veilig, Psalm 91:1.
3. Er wordt hier te kennen gegeven dat de tempel, waarin God zal wonen, in de landpalen van die stam gebouwd zal worden. Jeruzalem, de heilige stad, was in het erfdeel van Benjamin, Jozua 18:28, en hoewel Zion, de stad Davids verondersteld wordt tot Juda te behoren was toch de berg Moria, waarop de tempel gebouwd was, in Benjamins erfdeel. Daarom wordt God gezegd te wonen tussen zijn schouders, omdat de tempel op die berg stond zoals het hoofd van een man op zijn schouders. En hierdoor was Benjamin de gehele dag overdekt onder de bescherming van het heiligdom, Psalm 125:2, waarvan dikwijls gesproken wordt als van een toevlucht, een beschutting, Psalm 27:5, Nehemia 6:10. Benjamin, wonende bij de tempel Gods, woonde zeker, dat is: woonde in veiligheid bij Hem. Het is gelukkig om in de nabijheid van de tempel te zijn. Die ligging van Bemjamin was waarschijnlijk de enige reden, die deze stam bij Juda en de Goddelijke inzettingen liet blijven, toen de tien andere stammen afvallig werden. Diegenen hebben in waarheid een verdorven en slecht hart, die, hoe dichter zij bij de kerkzijn, zoveel verder van God zijn.
II. De zegen van Jozef, beide Efraïm en Manasse insluitende. In Jakob's zegen, Genesis 49, is die over Jozef het uitvoerigst, en dat is hij ook hier, en aan die zegen ontleent Mozes de titel, die hij aan Jozef geeft, vers 16, de afgezonderde van zijn broederen, of, zoals het ook gelezen kan worden:, een nazireër onder hen, zowel ten opzichte van zijn Godsvrucht, waarin hij bij menige gelegenheid hen allen overtroffen heeft, en van zijn waardigheid in Egypte, waar hij beide hun heerser en weldoener was. Zijn broeders hebben hem van zich afgezonderd door hem tot een slaaf te maken, maar God heeft hem van hen onderscheiden door een vorst van hem te maken. De zegeningen, waarom voor die stam gebeden wordt en die hem voorzegd worden zijn: grote overvloed en grote macht.
1. Grote overvloed, vers 13-16. In het algemeen: Zijn land zij gezegend van de Heere. Het waren vruchtbare landstreken, die aan Efraïm en Manasse ten deel vielen, maar Mozes bidt dat zij besproeid zullen worden door de zegen van God, die rijk maakt en waarvan alle vruchtbaarheid afhankelijk is.
A. Hij noemt vele bijzonderheden, die hij bidt, dat bijdragen zullen tot de rijkdom en overvloed van deze twee stammen, van de Schepper alle nut en alle dienst van de mindere schepselen verwachtende, want zij zijn al datgene voor ons, wat Hij ze voor ons maakt. Hij bidt: a. Om tijdige regens en dauw, het uitnemende van de hemel, en zó kostelijken uitnemend zijn zij, dat, hoewel zij slechts uit zuiver water bestaan, zonder deze de vruchten van de aarde zouden falen.
b. Om overvloedige fonteinen, die mee bijdragen om de aarde vruchtbaar te maken, en hier genoemd worden de diepte, die beneden is liggende, beide zijn de rivieren Gods, Psalm 65:10, want Hij is de Vader van de regen, Job 38:28, en Hij heeft inzonderheid de fonteinen van de wateren gemaakt Openbaring 14:7.
c. Om de weldadige invloeden van de hemellichamen, vers 14, om de uitnemende vruchten, tevoorschijn gebracht door de levenwekkende warmte van de zon, en de verkoelende vochtigheid van de maan. Dat zij de jaarlijkse vruchten hebben in hun onderscheidene maanden, overeenkomstig de loop van de natuur, in een maand olijven, in een andere dadels, enz. zó verstaan sommigen het.
d. Om devruchtbaarheid zelfs van hun heuvels en bergen, die in andere landen kaal en onvruchtbaar plegen te zijn, vers 15, dat zij het voornaamste hebben van de oude bergen, en, indien de bergen vruchtbaar zijn, dan zullen de vruchten, die er op groeien het eerst rijp zijn, en ook het rijpste zijn, Zij worden de oude bergen genoemd, niet omdat zij er vóór anderen geweest zijn, maar omdat zij, evenals de eerstgeborenen, voortreffelijker waren in waarde en hoedanigheid, en eeuwige heuvelen, niet alleen omdat zij, evenals andere bergen, onbeweeglijk zijn, Habakuk 3:6, maar omdat de vruchtbaarheid er van blijvend zal wezen.
e. Om de voortbrengselen van de lagere gronden, vers 16, het uitnemendste van de aarde. Hoewel de aarde zelf een nutteloze, waardeloze klomp stof schijnt te zijn, worden er toch kostelijke dingen uit voortgebracht voor het onderhoud en de gerieflijkheid van het menselijk leven, Job 28:5. Uit de aarde komt het brood voort, omdat ons lichaam er uit voortkomt en er toe moet weerkeren. Maar wat is het uitnemendste van de aarde voor een ziel, die van God kwam en tot Hem moet wederkeren? Of wat is haar volheid, in vergelijking met de volheid, die in Christus is, waaruit wij ontvangen genade voor genade? Sommigen zien in de uitnemende dingen, om welke hier gebeden wordt, typen van de geestelijke zegeningen in de hemel in Christus, degaven, en genade en vertroostingen des Geestes.
B. Hij kroont het alles met de goedgunstigheid of de genadige aanneming van Hem, die in het braambos woonde, vers 16, dat is: van God, die God, die aan Mozes verschenen is in het braambos, dat brandde, doch niet werd verteerd, Exodus 3:2, om hem zijn opdracht te geven om Israël uit te leiden uit Egypte. Hoewel Gods heerlijkheid daar slechts voor een wijle verscheen, wordt zij toch gezegd er te wonen, omdat zij er bleef zolang zij er nodig was. De goedgunstigheid van de Schechina in het braambos, zo zou dit ook gelezen kunnen worden, want Schechina betekent hetgeen woont, en hoewel zij slechts voor een korte tijd in het braambos woonde, bleef zij toch bij het volk van Israël. Het zou overgezet moeten worden: Mijn woner in het braambos, die een verschijning was van de Goddelijke Majesteit alleen aan Mozes, ten teken van het bijzondere deel, dat hij in God had, en die hij wenst te gebruiken tot welzijn van deze stam. Menigmaal is God aan Mozes verschenen, maar nu op het ogenblik, dat hij gaat sterven, schijnt hij de lieflijkste herinnering te hebben aan die, welke hem toen als ingeleid heeft tot de gezichten des Almachtigen en zijn gemeenschap met de hemel heeft gevestigd, dat was een tijd van liefde, die nooit vergeten kon worden. Het was aan het braambos, dat God verklaarde de God te zijn van Abraham, Izak en Jakob, en aldus de belofte bevestigde, gedaan aan de vaderen, die belofte, welke reikte tot aan de opstanding des lichaams en het eeuwige leven, zoals blijkt uit het argument, dat onze Heiland er aan heeft ontleend, Lukas 20:37 Zodat hij, als hij bidt om de goedgunstigheid van Hem, die in het braambos woonde, het oog heeft op het verbond dat te dier tijd en op die plaats vernieuwd werd, en waarop al onze hoop op Gods gunst gegrond moet zijn. Nu besluit hij die ruimen zegen met een gebed om de gunst van God.
a. Omdat die de bron en oorsprong is van al deze zegeningen, zij zijn de gaven van Gods gunst, dat zijn zij voor Gods volk, wat zij nu ook voor anderer mogen wezen. Ja, toen Efraïm (een afstammeling van Jozef) afweek van God, als een onbandige koe, waren deze vruchten van zijn land zo weinig de gaven van Gods gunst, dat zij slechts bedoeld waren om hem vet te mesten voor de slachtbank, als een lam in de ruimte, Hosea 4:16, 17,.
b. Omdat dit de lieflijkheid en de vertroosting is van al deze zegeningen, wij smaken er dan eerst blijdschap en genot in, als wij er Gods gunst in zien.
c. Omdat die beter, oneindig beter is dan al deze zegeningen, want zo wij slechts de gunst van God hebben, dan zijn wij gelukkig en kunnen gerust zijn, ook al ontbreken ons al deze dingen, en ons verblijden in de God onzes heirs, alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en er geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, Habakuk 3:17, 18.
2. Jozef wordt hier gezegend met grote macht, vers 17. Er worden drie voorbeelden van deze zijn macht voorzegd.
a. Zijn gezag onder zijn broederen. Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene van zijn rund, of van een jonge stier, die een statig dier is en daarom vroeger gebruikt werd als een zinnebeeld van koninklijke majesteit. Jozua, die Mozes moest opvolgen, was van de stam Efraïm, van de zoon van Jozef, en zijn heerlijkheid blonk waarlijk uit, hij was een eer voor zijn stam. In Efraïm lag later de koninklijke stad van de tien stammen. En uit Manasse waren Gideon, Jeftha en Jaïr, die allen sieraden waren van en zegeningen voor hun land. Sommigen denken dat hij bij de eersteling van de stier wordt vergeleken, omdat het geboorterecht, dat Ruben had verloren, was overgegaan op Jozef, 1 Kronieken 5:1, 2, en bij de eersteling van zijn stier, omdat Basan dat in het erfdeel van Manasse lag, beroemd was voor stieren en koeien, Psalm 22:13, Amos 4:1.
b. Zijn macht tegen zijn vijanden en zijn overwinning over hen: zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn, dat is: De krijgsmacht, die hij te velde zal brengen, zal zeer sterk en zeer geducht zijn, met dezelve zal hij de volken tezamen stoten, dat is: "hij zal allen overwinnen, die zich op zijn weg stellen." Uit het twisten van de Efraïmieten, beide met Gideon, Richteren 8:1, en met Jefta, Richteren 12:1, blijkt dat zij een krijgshaftige, vurige stam waren. En toch zien wij dat de kinderen Efraïms, toen zij het verbond Gods hadden verlaten, hoewel zij gewapend waren, zich omkeerden ten dage des strijds, Psalm 78:9,10, want hoewel hier verklaard is dat zij sterk en stoutmoedig zijn als eenhoornen, werden zij, toen God hen verlaten had, zwak als andere mensen.
c. Het getal van zijn lieden, waarin Efraïm, hoewel de jongere zoon, zijn broeder overtrof, daar Jakob in het voorzien van deze zelfde zaak, zijn handen boven hun hoofd gekruist had, Genesis 48:19. Dezen nu zij u detienduizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse. Jonathans Targum past dit toe op de tienduizenden van Kanaänieten, overwonnen door Jozua, die van de stam van Efraïm was, en van de duizenden van Midianieten, overwonnen door Gideon, die van de stam van Manasse was. En de verklaring van de Jeruzalemse Targum op het eerste deel van dit vers is opmerkelijk, dat gelijk met de eerstelingen van de stier nooit gewerkt mocht worden, en de eenhoorn niet kon worden getemd, zo zou Jozef altijd vrij blijven. "Zij zouden ook vrij gebleven zijn, indien zij zich niet door de zonde verkocht hadden."