Richteren 2:6-23
Het begin van deze paragraaf is slechts een herhaling van het bericht, dat wij hadden omtrent het goede gedrag van het volk gedurende de regering van Jozua, en van zijn dood en begrafenis, Jozua 24:29, 30, dat hier nogmaals verhaald wordt als inleiding tot het volgende bericht, dat dit hoofdstuk geeft van hun ontaarding en hun afval. De engel had voorzegd dat de Kanaänieten en hun afgoden een strik zouden wezen voor Israël, en nu toont de geschiedschrijver dat zij dit ook inderdaad geweest zijn, en om dit duidelijker te doen uitkomen, richt hij zijn blik een weinig achterwaarts, en neemt nota:
1. Van hun gelukkige vestiging in Kanaän. Jozua, dit land onder hen verdeeld hebbende, zond hen heen om er het rustig en aangenaam bezit van te genieten, vers 6. Hij liet hen gaan, niet slechts iedere stam, maar een ieder tot zijn erfdeel, hun ongetwijfeld ook zijn zegen gevende.
2. Dat zij volhardden in het geloof en de vreze van Gods heilige naam zolang als Jozua leefde, vers 7. Gelijk zij heengingen naar hun bezittingen met het goede voornemen en besluit om de Heere te blijven aanhangen, zo hebben zij ook gedurende enige tijd in hun besluit volhard, zolang zij goede regeerders hadden, die hun een goed voorbeeld gaven en goed onderricht gaven, en het bederf, dat bij hen insloop, bestraften en tegengingen, en zolang de herinnering onder hen leefde aan de grote dingen, die God voor hen gedaan heeft, toen Hij hen in Kanaän bracht. Zij, die deze wonderen gezien hadden, hadden gezond verstand genoeg om hun eigen ogen te geloven, en genoeg rechtsgevoel om die God te dienen, die zo glorierijk tot hun behoeve is verschenen, maar die na hen kwamen, hadden niet gezien, en daarom geloofden zij niet.
3. Van de dood en de begrafenis van Jozua, die een noodlottige slag was voor de belangen van de Godsdienst onder het volk, vers 8, 9. Zij hadden echter genoeg besef van hun verplichting aan hem, om hem eer te bewijzen bij zijn dood, en zo hebben zij hem begraven te Timnath-Heres, zoals het hier wordt genoemd, niet Timnath-Serah, zoals in Jozua 24. Heres betekent de zon, waarvan, naar sommigen denken, een voorstelling of afbeelding op zijn graf was gemaakt, die er de naam aan gaf ter herinnering aan het stilstaan van de zon op zijn woord. Dit zeggen verscheiden Joodse schrijvers, maar ik betwijfel ten zeerste of een beeld van de zon toegelaten zou zijn om Jozua te eren in die tijd, toen, vanwege de algemene neiging van de mensen om de zon te aanbidden, er gevaar zou geweest zijn dat er misbruik van gemaakt zou worden tot oneer van God.
4. Van het opkomen van een nieuw geslacht, vers 10. Dat gehele geslacht was binnen weinige jaren uitgestorven, hun goede onderrichtingen en hun goed voorbeeld stierven met hen en werden met hen begraven, en er ontstond een ander geslacht van Israëlieten, die zo weinig besef hadden van Godsdienst, en er zich zo weinig om bekommerden, in weerwil van al de voordelen van hun opvoeding, dat men in waarheid kon zeggen: zij kenden de Heere niet, kenden Hem niet goed, kenden Hem niet zoals Hij zich had geopenbaard, want anders zouden zij Hem niet verlaten hebben. Zij waren zo volkomen de wereld toegedaan, legden zich zo met hart en ziel toe op de zaken er van hebben zo toegegeven aan het vlees in gemak en weelde, dat zij aan God en Zijn heiligen dienst niet dachten, en zo werden zij gemakkelijk heengetrokken naar valse goden en hun verfoeilijke verzinselen. En zo komt hij er nu toe om ons een algemeen denkbeeld te geven van de stand van zaken in Israël gedurende de tijd van de richteren.
I. Het volk van Israël verlies de God Israëls en bracht aan de drekgoden van de Kanaänieten de eer en aanbidding toe, die Hem alleen toekwamen. "Ontzet u hierover, gij hemelen, en verwonder u, gij aarde! Heeft een volk, zo'n volk, zo wel gevoed, zo wèl onderwezen, zijn God veranderd, zo'n God, een God van oneindige macht, vlekkeloze reinheid, onuitputtelijke goedheid, zo ijverzuchtig op een mededinger, voor stokken en stenen, die noch goed, noch kwaad konden doen?" Jeremia 2:11, 12. Nooit was er een voorbeeld van zo'n dwaasheid, ondankbaarheid en verkeerdheid.
Merk op hoe dit hier wordt beschreven, vers 11-13. In het algemeen: Zij deden kwaad, niets kon meer kwaad zijn, dat is: meer Godtergend en meer nadelig voor henzelf. En het was in de ogen des Heeren, alle kwaad is vóór Hem, maar inzonderheid let Hij op de zonde van een anderen god te hebben. In het bijzonder:
1. Zij verlieten de Heere, vers 12, en wederom, vers 13, dit was een van de grote boosheden waaraan zij zich schuldig maakten, Jeremia 2:13. Zij waren met de Heere verenigd in het verbond, maar nu verlieten zij Hem, zoals een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar man. "Zij verlieten de aanbidding des Heeren", zo heeft de Chaldeër het, want zij, die de eredienst Gods verlaten, verlaten metterdaad God zelf. Dit werd hierdoor verzwaard, dat Hij de God was van hun vaderen, zodat zij ingeborenen waren van Zijn huis, en daarom verplicht Hem te dienen, en dat Hij hen uitgevoerd had uit Egypte, Hij heeft hun handen los gemaakt, en ook daarom waren zij gehouden tot Zijn dienst.
2. Toen zij de enige ware God verlieten, zijn zij geen atheïsten geworden, ook waren zij niet zulke dwazen om te zeggen: Daar is geen God, maar zij volgden andere goden. Zoveel van de zuivere natuur was er nog in hen overgebleven, dat zij erkenden dat er een God is, maar zoveel van de verdorven natuur kwam bij hen voor de dag, dat zij de goden vermenigvuldigden, allen aannamen, en in de Godsverering de mode, niet de regel volgden. Israël had de eer van een bijzonder volk te zijn, met ere bekleed boven anderen, en toch waren zij zo ontrouw aan hun eigen voorrechten dat zij verzot werden op de goden van de volken, die rondom hen waren. Baäl en Astharoth, goden en godinnen, zij maakten het hof aan zon en maan, aan Jupiter en Juno. Baälim betekent heren en Astaroth gezegenden, beide in het meervoud, want toen zij JJHW verlieten, die één is, hadden zij vele goden en vele heren, zoals het hunner weelderige verbeelding behaagde ze te vermenigvuldigen. En wat zij ml ook voor hun goden aannamen: zij dienden hen, en bogen zich voor hen neer, gaven hun eer, en smeekten gunsten van hen af.
II. Dit heeft de God van Israël tot toorn verwekt, en Hij leverde hen over in de handen van hun vijanden, vers 14, 15. Hij was toornig op hen, want Hij is een ijverig God, trouw aan de eer van Zijn naam. En het middel, dat Hij gebruikte om hen te straffen voor hun afval, was diegenen tot hun verdrukkers te maken, aan wier verzoekingen zij gehoor hebben gegeven. Zij maakten zich door God te verlaten even laag en ellendig, als zij groot en gelukkig zouden geweest zijn, indien zij Hem trouw waren gebleven.
1. De schaal van de overwinning sloeg over-naar hun vijanden. Wanneer zij ook het zwaard ter hand namen, nadat zij God hadden verlaten, werden zij even zeker verslagen, als zij vroeger de overwinning hadden behaald. Vroeger konden hun vijanden niet voor hun aangezicht bestaan, overal waar zij heentogen was de hand des Heeren met hen. Toen zij koud en koel begonnen te worden in hun Godsdienst, heeft God Zijn gunsten weerhouden maakte Hij een einde aan hun voorspoed, en wilde Hij de vijanden niet meer voor hun aangezicht verdrijven, vers 3. Hij liet hen slechts hun grond behouden. Maar toen zij geheel tot afgoderij waren vervallen, is de krijgskans terstond tegen hen gekeerd, en nu konden zij niet meer bestaan voor het aangezicht van hun vijanden. God wilde toen liever voorspoed geven aan hen die Hem nooit hebben gekend of erkend. Waar zij ook heengingen konden zij bemerken dat God zelf hun in een vijand was veranderd, en dat Hij zelf tegen hen streed, Jesaja 63:10.
2. Natuurlijk is toen ook de schaal van de macht tegen hen gekeerd. Al wie wilde kon hen beroven, al wie wilde kon hen verdrukken. God verkocht hen in de handen van hun vijanden, niet slechts heeft Hij hen gewillig overgeleverd zoals wij overleveren wat wij verkocht hebben, maar Hij deed het om een gewichtige reden, als een ijverig God, om eer voor zich te verkrijgen, daar Hij zelfs Zijn eigen bijzonder volk niet wilde sparen, als zij Hem tergden en door hun zonde tot toorn verwekten. Hij verkocht hen zoals insolvente schuldenaars verkocht worden, Mattheus 18:25, ten einde door hun lijden enigerlei vergoeding te geven aan Zijn eer voor de belediging Hem aangedaan door hun afval. Let er op, hoe hun straf:
a. Beantwoordde aan hetgeen zij gedaan hadden, zij dienden de goden van de volken, die rondom hen waren, zelfs de geringsten, de nietigsten, en God deed hen de vorsten van de volken, die rondom het waren dienen zelfs de geringsten. Hij, die de metgezel wil wezen van iederen dwaas, wordt met recht tot de dwaas gemaakt van ieder gezelschap.
b. Hoe zij beantwoordde aan hetgeen God heeft gesproken. De hand des Heeren was aldus tegen hen gekeerd, gelijk als de Heere gesproken, en gelijk als de Heere hun gezworen had, vers 15, verwijzende naar de vloek en de dood, die hun voorgesteld waren in het verbond, met de zegen en het leven. Zij, die God trouw hebben bevonden aan Zijn beloften, kunnen daaruit afleiden, dat Hij even trouw zal zijn aan Zijn bedreigingen
III. De God van de oneindige genade ontfermde zich over hen in hun benauwdheid, hoewel zij die zelf door hun zonde en dwaasheid over zich gebracht hadden, en verloste hen. Evenwel, of schoon hun benauwdheid de straf was voor hun zonde en de vervulling van Gods woord, zijn zij na verloop van tijd uit hun benauwdheid gered, vers 16 18. Dit geschiedde zuiver en alleen uit Gods ontferming en barmhartigheid, de reden daartoe kwam uit Zijn hart. Er wordt niet gezegd: Het berouwde hun vanwege hun ongerechtigheden (want uit vers 17 blijkt, dat velen van hen zich niet verbeterd of bekeerd hadden) maar: Het berouwde de Heere, door hun verzuchtingen, hoewel het niet zozeer was onder de last van de zonde, als wel onder de last van de verdrukking, dat zij gezucht hebben. Het is waar: zij verdienden voor altijd om te komen onder Zijn vloek, maar het was toen de dag van Zijn lankmoedigheid, en daarom heeft Hij niet al Zijn toorn tegen hen opgewekt. In Zijn gerechtigheid zou Hij hen hebben kunnen verlaten, maar Zijn ontferming liet het Hem niet toe.
2. De werktuigen van hun verlossing. God heeft geen engelen van de hemel gezonden om hen te verlossen, Hij heeft ook geen buitenlandse mogendheid tot hun hulp gezonden, maar Hij heeft richteren verwekt uit hun midden, al naar zij nodig waren, mannen, aan wie God hiertoe buitengewone gaven en bekwaamheden verleende, en die Hij dan riep tot de dienst, waarvoor zij bestemd waren, namelijk een hervorming onder Israël tot stand te brengen en hen te verlossen, en wier pogingen Hij dan met groten voorspoed bekroonde. De Heere was met de richteren, als Hij hen verwekt had, en zo werden zij dan redders, verlossers.
Merk op:
a. In de dagen van de grootste ontaarding en benauwdheid van de kerk, zullen er sommigen zijn, die God of zal vinden, of geschikt zal maken, om haar grieven te herstellen en de zaken terecht te brengen.
b. God moet erkend worden in het te rechter tijd verwekken van mannen, die aldus ten algemene nutte werkzaam zijn. Hij schenkt de mensen wijsheid en moed. Hij geeft hun een hart om te handelen. Allen, die op enigerlei wijze een zegen zijn voor hun land, moeten beschouwd worden als gaven van God.
c. Hen, die door God worden geroepen, zal Hij erkennen en zegenen met Zijn tegenwoordigheid, Hij zal wezen met hen, die door Hem worden opgewekt. De richteren van een land zijn zijn redders.
IV. De ontaarde Israëlieten zijn niet krachtdadig en grondig hervormd, neen, zelfs niet door hun richteren, vers 17-19
1. Zelfs terwijl hun richteren nog bij hen waren en ijverig arbeidden aan het werk van de reformatie, waren er nog onder hen, die niet naar hun richteren hoorden, maar ook toen andere goden nahoereerden, zo verzot waren zij op hun afgoden en zo hardnekkig bleven zij hangen aan de afkering van God. Zij waren gehuwd aan God, maar schonden het huwelijksverbond, en hoereerden valse goden na. Afgoderij is geestelijk overspel, zo snood, en laag, en verraderlijk een zaak is het, en zo moeilijk is het hen terecht te brengen, die er zich aan overgegeven hebben.
2. Zij, die in tijden van reformatie begonnen zich te verbeteren, weken welhaast toch weer af van de weg, en werden even slecht als ooit tevoren. De weg, van welke zij afweken was die, waarin hun Godvruchtige vaderen gewandeld hadden, en waarin zij hen gesteld hadden, maar weldra onttrokken zij zich aan de invloed van het goede voorbeeld van hun vaderen, en van hun eigen goede opvoeding. Aldus handelen de goddeloze kinderen van "Godvruchtige ouders, en daarom zullen zij heel veel te verantwoorden hebben.
3. Als echter de richter gestorven was, dan zagen zij dat de dam, die de stroom van de afgoderij had tegengehouden, was weggenomen, en dan bruiste die stroom met te meer geweld, en zo scheen de volgende tijd er nog te slechter om, dat er pogingen tot hervorming waren aangewend, vers 19. Zij verdierven het meer dan hun vaderen, trachtten hen nog voorbij te streven in het vermenigvuldigen van de vreemde goden, en bedachten onheilige, goddeloze plechtigheden voor hun eredienst, in tegenspraak als het ware met hun hervormers. Zij lieten niets vallen van hun werken, schaamden zich niet over de afgoderij, die het verfoeilijkst was, noch werden die moede, welke het wreedst was, en wilden geen stap terugwijken van hun harde weg. Zo zullen zij, die de goede wegen Gods verlaten hebben, welke zij eens gekend en beleden hebben, gewoonlijk vermetel en roekeloos worden in de zonde, en hun hart het meest verharden. V. Rechtvaardiglijk heeft God dan besloten hen nog onder de roede te houden.
1. Hun zonde was, dat zij de Kanaänieten spaarden, in weerwil van het verbond, dat God met hen gemaakt had, en dat zij dus verbreken, en in weerwil ook van de bevelen, die Hij hun had gegeven, vers 20.
2. Hun straf was, dat de Kanaänieten gespaard waren, en zo werden zij dan getuchtigd met hun eigen roede. Zolang Jozua leefde, werden niet al de Kanaänieten in zijn hand overgeleverd vers 23. Hoewel onze Heere Jezus de overheden en machten uitgetogen heeft, heeft Hij toch in het eerst Zijn overwinning niet voltooid, wij zien nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, er zijn nog overblijfselen van Satans invloed in de kerk, zoals er nog Kanaänieten waren in het land, maar onze Jozua leeft tot in eeuwigheid, en zal in de grote dag Zijn overwinningen volkomen maken. Na Jozua's dood werd er gedurende lange tijd weinig tegen de Kanaänieten ondernomen. Israël duldde hen en werd gemeenzaam met hen, en daarom wilde God ook niet voortvaren iemand voor hun aangezicht uit de bezitting te verdrijven, vers 21. Indien zij zulke inwoners in hun midden willen hebben zo laat hen ze hebben en zien wat er van komt. God heeft `hun veranderlijkheden of hun bedrieglijke voorstellingen gekozen," Jesaja 66:4. Zo geven de mensen toe aan hun verdorven lusten en hartstochten, en inplaats van ze te doden, koesteren en verzorgen zij ze, en daarom laat God hen dan rechtvaardig aan henzelf over onder de macht van hun zonden die hun verderf zullen zijn. Zo zal hun oordeel zijn, zij zelf hebben het geveld. Deze overblijfselen van de Kanaänieten werden in het land gelaten, om Israël door hen te verzoeken, of zij de weg des Heeren zouden houden of niet, vers 22, niet opdat God hen zou kennen, maar opdat zij zichzelf zouden kennen. Het was om te zien:
a. Of zij de verzoekingen tot afgoderij konden weerstaan, waarmee de Kanaänieten tot hen zouden komen. God had hun gezegd, dat zij het niet konden, Deuteronomium 7:4, maar zij dachten, dat zij het wèl konden. "Welnu", zegt God, "Ik zal u op de proef stellen", en bij die proefneming bleek dat de bekoringen van de verzoeker hun te sterk waren. God heeft ons gezegd, hoe bedrieglijk en ten enenmale boos ons hart is, maar wij willen het niet geloven, totdat wij, ons roekeloos aan de verzoeking blootgesteld hebbende, door treurige ervaring bevinden, dat het maar al te waar is.
b. Of zij een goed gebruik zouden maken van de kwellingen, die de overgebleven inwoners hun zouden aandoen, en de vele verdrietelijkheden, die zij door hen zouden ondervinden, of zij er door overtuigd zouden worden van zonde, en daardoor verootmoedigd zouden worden en uitgedreven tot God en hun plicht, of zij door voortdurende verschrikkingen in ontzag behouden zouden worden, en bevreesd zouden zijn om God tot toorn te verwekken.