Deuteronomium 2:24-37
God had de zelfverloochening van Zijn volk op de proef gesteld in Zijn verbod om zich met de Moabieten en Ammonieten te mengen, en zij zijn deze rijke landen dan ook stil en rustig voorbijgegaan, en hadden, hoewel zij er de meerderen van waren in aantal, geen aanval er op gedaan. En nu beloont Hij hen hiervoor hun gehoorzaamheid, door hun het bezit te schenken van het land van Sihon, de koning van de Amorieten. Als wij laten wat God verbiedt, dan zullen wij ontvangen wat Hij belooft, en niets verliezen door onze gehoorzaamheid, al zou het ook de schijn hebben voor het ogenblik, alsof wij er wèl verlies door lijden. Doe anderen geen onrecht, dan zal God u recht doen.
I. God geeft hun de opdracht om zich meester te maken van het land van Sihon, de koning van Hesbon, vers 24, 25. Dit was toen Gods wijze van over koninkrijken te beschikken, maar thans moeten zulke bijzondere schenkingen niet meer verwacht worden, en moet geen aanspraak er op worden gemaakt. In deze opdracht aan hen valt op te merken:
1. Dat God hun wel verzekerde dat het hun land zal zijn, maar dat zij er zich toch moeite voor hebben te geven, dat zij er met de vijand om moeten strijden. Wat God geeft, moeten wij trachten te verkrijgen.
2. Dat God hun belooft voor hen te zullen strijden, als zij strijden. Begint te erven, en Ik zal beginnen uw schrik en uw vreze over het aangezicht van de volken te doen komen. God zal de vijand ontmoedigen, en hem aldus verderven, Hij zal Israël grootmaken, en aldus allen verschrikken, tegen wie hun bevolen is te strijden. Zie Exodus 15:14.
II. Mozes zendt aan Sihon een boodschap van vrede, en verzoekt slechts om een doortocht door zijn land, met de belofte hem geen hinder of schade te zullen veroorzaken, maar hem het voordeel te bezorgen van handel met hem te drijven, door hetgeen er nodig was voor een zo talrijk volk voor gereed geld van hem te kopen, vers 26-29. Mozes is hierin noch ongehoorzaam geweest aan God, die hem bevolen had met Sihon te strijden, noch heeft hij bij Sihon geveinsd, ongetwijfeld heeft hij onder Goddelijke leiding gedaan wat hij deed, opdat Sihon zonder verontschuldiging zou blijven, hoewel God zijn hart had verhard. Dit kan tot voorbeeld dienen van Gods handelwijze met hen, aan wie Hij Zijn Evangelie geeft, maar geen genade geeft om het te geloven.
III. Sihon begon de strijd, vers 32, daar God zijn hart verhard had, en wat tot zijn vrede diende voor zijn ogen had verborgen, vers 30 opdat Hij hem in Israëls hand gave. Zij, die zich met het volk van God mengen, doen dit tot hun eigen verderf, en soms brengt God Zijn vijanden door hun eigen raadslagen ten verderve. Zie Micha 4:11-13, Openbaring 16:14
IV. Israël behaalde de overwinning.
1. Zij hebben al de Amorieten gedood, mannen, vrouwen en kinderen, vers 33, 34. Dit deden zij als de uitvoerders van Gods toorn nu de ongerechtigheid van de Amorieten volkomen was geworden, Genesis 15:16, en hoe langer het duurde eer zij vol was, hoe zwaarder ten slotte de rekening is geworden. Dit was één van de gevloekte natiën, zij stierven niet als Israëls vijanden, maar als offers aan de gerechtigheid Gods, en Israël, als koninklijk priesterdom werd gebruikt om die offers te offeren. Dewijl dit dus een buitengewoon geval was, moet dit niet als buitengewoon precedent aangehaald worden voor militaire executies, waarbij geen verschil wordt gemaakt, geen lijfsgenade wordt gegeven, een onbarmhartig oordeel zal gaan over degenen, die geen barmhartigheid gedaan hebben.
2. Zij namen bezit van alles wat zij hadden, hun steden, vers 34, hun goederen vers 35, en hun land, vers 36. Het vermogen van de zondaar is voor de rechtvaardige weggelegd. In welk een nieuwe wereld is Israël nu binnengetreden! De meesten van hen waren geboren en hadden hun leven doorgebracht in een grote, huilende woestijn, waar zij niet wisten wat velden waren of steden waren, zij hadden geen huizen om in te wonen, en hebben gezaaid noch geoogst, en nu worden zij plotseling meesters van een zo goed bebouwd en van welige akkers voorzien land. Dit vergoedde hun het lange wachten, en toch was het maar een begin, een voorproef van zeer veel meer. Veel blijder nog zal de verandering zijn, die geheiligde zielen zullen ervaren, als zij heengaan van uit de woestijn van deze wereld naar het betere land, dat is: het hemelse, naar de stad, die fundamenten heeft.