Nehemia 10:1-31
Toen Israël voor het eerst in verbond gebracht werd met God, geschiedde het met offerande en sprenging van bloed, Exodus 24. Maar hier geschiedde het op de meer natuurlijke en gewone wijze van ondertekening en verzegeling van de geschreven artikelen van het verbond, dat hen tot niets meer verbonden heeft dan tot hetgeen hun plicht reeds was.
Nu hebben wij hier:
I. De namen van de openbare personen, die als de vertegenwoordigers en hoofden van de vergadering hun hand en zegel op dit verbond hebben gezet, omdat het een eindeloos werk zou geweest zijn, als ieder afzonderlijk persoon dit had moeten doen. En indien deze voorgangers en leidslieden het hun deden ingevolge van dit verbond, dan zal dit een goeden invloed uitoefenen op het volk.
1. Nehemia, die de landvoogd was, tekende het eerst, om zijn ijver te tonen voor dit werk en anderen een goed voorbeeld te geven vers 1. Zij, die boven anderen zijn in waardigheid en macht, moeten hen voorgaan in de weg Gods.
2. Na hem ondertekenden twee en twintig priesters, onder wie het mij verwondert Ezra niet te vinden, die een werkzaam aandeel had genomen aan de plechtigheid, Hoofdst. 8:2 op de eerste dag van dezelfde maand, derhalve wij niet kunnen denken dat hij afwezig was, maar daar hij als Schriftgeleerde het zijne gedaan had, liet hij het nu aan anderen over om het hun te doen.
3. Na de priesters hebben zeventien Levieten dit verbond ondertekend, onder wie wij allen of de meesten vinden van hen, die de mond van de vergadering waren geweest in het gebed. Hoofdst. 9:2, 5. Dit toont dat zij zelf onder de indruk waren van hetgeen zij hadden gezegd, en anderen geen lasten wilden opleggen die zij zelf weigerden aan te raken. Zij, die voorgaan in het gebed, moeten ook voorgaan in ieder ander goed werk.
4. Na de Levieten hebben vier en veertig van de oversten van het volk hun hand er op gezet voor zich en al de overigen, voornamelijk voor degenen, op wie zij invloed hadden, dat zij Gods geboden wilden houden. Hun namen zijn hier vermeld tot hun eer als mannen die ijverig werkzaam waren om de Godsdienst te doen herleven en in stand te houden in hun land, de nagedachtenis van de zodanigen zal tot zegening zijn. Het is opmerkelijk dat de meesten van hen, die in Hoofdstuk 7:8 en verv. genoemd zijn als hoofden van huizen, hier genoemd worden onder de eersten van de hoofden van het volk, die het verbond ondertekend hebben, wie ook het tegenwoordige hoofd was, dezelfde naam dragende als hij, die hoofd was, toen zij uit Babel gingen, en deze waren het geschiktst om te ondertekenen voor allen, die tot het huis van hun vaders behoorden. Hier zijn Paros, Pahath-Moab, Elam, Zattu, Bani vers 14, Azgad, Bebai, Bigvai, Adin, Ater Hasum, Harif, Anathoth, en sommige anderen in de volgende verzen, die allen op die lijst gevonden worden. Zij, die invloed hebben, moeten hem uitoefenen voor God.
II. De instemming van de overigen des volks en van de overige priesters en Levieten met hetgeen hun hoofden gedaan hadden. Met hen verenigden zich: 1. Hun vrouwen en kinderen, want ook zij hadden overtreden en moesten zich bekeren, iedereen die wetenschap en verstand had moest een verbond maken met God. Zodra jonge lieden tot de jaren zijn gekomen, waarin zij kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad en met verstand en oordeel kunnen handelen, behoren zij het als hun eigen zelfstandige daad te doen blijken dat zij zich de Heere toevoegen.
2. De proselieten uit andere volken, allen die zich hadden afgescheiden van de volken van de landen, van hun goden en hun aanbidding tot de wet van God, en de waarneming van die wet. Zie wat bekering is: het is ons af te scheiden van de zeden en gewoonten van de wereld, en ons te stellen onder de leiding van Gods woord. En gelijk er een wet is, zo is er ook een verbond, de doop, voor de vreemdeling en voor de inboorling.
Merk op, hoe de instemming van het volk is uitgedrukt, vers 29.
a. Zij hielden zich aan hun broederen. Wie hier door het hof gezegend werd, werd ook door het land gezegend! De burgerij verenigde zich met de edelen in dit goede werk. Voorname mensen hebben nooit zo'n voornaam aanzien, als wanneer zij de Godsdienst steunen en aanmoedigen, en er voorbeelden in zijn, en daardoor zouden zij even sterk als door wat het ook zij, invloed krijgen op het beste deel van hun minderen. Laat de edelen slechts Godsdienstige belangen van harte omhelzen, en zij zullen bevinden dat de mensen zich dichter aan hen houden, dan zij wellicht gedacht hebben.
Merk op: hun edelen, of voortreffelijken, worden hun broederen genoemd, want in de dingen Gods zullen rijken en armen, hogen en geringer elkaar ontmoeten.
b. Zij kwamen in de vloek en in de eed Gelijk de edelen het verbond bevestigden met hun hand en hun zegel zo heeft het volk het bevestigd met een vloek en een eed, plechtig zich op God beroepende betreffende hun oprechtheid, en Zijn rechtvaardige wraak inroepende indien zij trouwelooslijk handelden. In iederen eed is een voorwaardelijke vloek op de ziel, waardoor hij een sterke band wordt voor de ziel, want onze eigen tong zal, als zij vals en bedrieglijk is, ons doen aanstoten tegen onszelf.
III. De algemene strekking en inhoud van dit verbond. Zij legden zich geen anderen last op dan deze nodige zaak, waartoe zij reeds door alle verbintenissen van plicht, belang en dankbaarheid gehouden waren: dat zij zouden wandelen in de wet van God, en dat zij zouden houden en doen al de geboden des Heeren, vers 29. Zo heeft David gezworen dat hij "onderhouden zal de rechten van Gods" "gerechtigheid," Psalm 119:106. Ons eigen verbond verbindt ons hiertoe, indien al niet sterker dan toch meer merkbaar dan wij er tevoren toe verbonden waren, en daarom moeten wij het niet onnodig achten ons aldus te verbinden.
Merk op: als wij ons verbinden de geboden van God te houden en te doen, dan verbinden wij ons om al Zijn gehouden te houden en te doen, en daarin hebben wij het oog op Hem als de Heere, onze Heere.
IV. Sommigen van de bijzondere artikelen van dit verbond, zoals zij pasten bij hun tegenwoordige verzoekingen. 1. Dat zij geen huwelijken zouden aangaan met heidenen, vers 30. Velen van hen hadden zich hieraan schuldig gemaakt, Ezra 9:1. In ons verbond met God moeten wij ons inzonderheid verbinden tegen de zonden, waaraan wij ons het meest schuldig hebben gemaakt en die ons het meeste kwaad berokkend hebben. Zij die besluiten "de geboden van God" "te houden en te doen, moeten tot de boosdoeners zeggen: Wijkt van mij," Psalm 119:115.
2. Dat zij geen markten zouden houden op de sabbatdag, of op een andere dag, waarvan de wet had gezegd: Gij zult daarop geen werk doen. Zij wilden niet slechts zelf geen goederen verkopen op die dag om er winst mee te behalen, maar ook de heidenen niet aanmoedigen om op die dag te verkopen door van hen te kopen, neen, zelfs geen levensmiddelen onder schijn van noodzakelijkheid maar voor zich en hun gezin hun inkopen doen op de vorige dag, vers 31. Zij, die met God een verbond sluiten om al Zijn geboden te houden, moeten zich inzonderheid verbinden om de sabbaten goed te onderhouden, want de ontheiliging daarvan baant de weg voor andere zonden. De sabbat is een marktdag voor onze zielen, maar niet voor onze lichamen.
3. Dat zij niet streng zullen zijn in hun invorderen van schulden, maar het zevende jaar zullen waarnemen als een jaar van vrijlating overeenkomstig de wet, vers 31. In deze zaak waren zij berispelijk geweest, Hoofdst. 5, en nu beloven zij hier dat zij zich zullen verbeteren. Dat was het vasten, dat de Heere welbehaaglijk was: "de" "boeien der goddeloosheid los te maken de banden, van het juk te ontbinden" Jesaja 58:6. Het was aan het einde van de verzoendag, dat de bazuin van het jubeljaar geblazen werd. Het was om hun veronachtzamen van de waarneming van het zevenden jaar als een jaar van rust voor het land, dat God het land een welgevallen deed hebben aan zijn sabbaten, Leviticus 26:35 en daarom beloofden zij nu in dit verbond dat zij die wet zullen onderhouden. Het zijn voorwaar halsstarrige kinderen, die de fout niet willen verbeteren, waarvoor zij zeer bijzonder gekastijd werden.