29. Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erfgoed met u heeft, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten; 1) zij zullen in uw woning een tiendmaaltijd met elkaar houden van hetgeen gij achtergelaten hebt, en verzadigd worden, opdat u de HEERE, uw God, ook verder zegent in al het werk van uw hand, dat gij doen zult; want zijn zegen zal slechts uw deel zijn, wanneer gij overeenkomstig zijn geboden handelt. 2)
1) Hiermee is nu de instelling van de tienden volledig beschreven; wij werpen daarom nogmaals een blik op de samenhang, het wezen en de betekenis van deze verordening. Reeds de toewijding van de eerstgeboorten (Exodus 13:2,11, Leviticus 27:26, Numeri 3:5-13; 8:16-19; 18:15-18 Numeri 3:5-13 8:16-19 18:15-18), en de opbrengst van de eerstelingen (Exodus 23:19 Numeri 18:12, ) moest Israël voorstellen als een volk van het eigendom en zijn bezittingen als een gave van de Heere, waarvan zij slechts de rentmeesters en vruchtgebruikers waren. Deze gaven moesten daarom naar Gods wil besteed worden, d.i. tot bevordering van Gods rijk en van de ware godsdienst, tot betamelijke veraangenaming van het leven, en tot ondersteuning van de hulpbehoevende naaste. Dit nu werd door de instelling van de tienden geregeld en in de harten van het volk ingeprent. Het tiende gedeelte van alle inkomsten moet afgezonderd worden, omdat het getal tien, als insluitende alle grondgetallen, zinnebeeld van de volledigheid is, en de omvang van het geheel dus op de beste wijze afbeeldt. Een eerste tiende, voor de Levieten bestemd, moet gebruikt worden tot bevordering van het Godsrijk (Leviticus 27:30, Numeri 28:21, ); van het overblijvende wordt een tweede tiende afgezonderd, die eerst nu ter sprake komt, waar Israël het beloofde land zal beërven. Bij het einde van ieder eerste en tweede jaar na het zevende moet zij gebruikt worden tot een maaltijd voor de huisgenoten, en wel bij het heiligdom. Israël moest zich daar verheugen in de gaven van zijn God, het goede van de aarde als een dankoffer genieten, en het bewustzijn meenemen, dat ook de voorraad thuis op gelijke wijze en met hetzelfde doel te besteden was, namelijk ten behoeve van het gezin, als onder Gods ogen, en in Zijn gemeenschap. In het derde jaar echter doet de godvruchtige dienstknecht van de Heere voor zich en de zijnen afstand van dit genot, en schenkt zijn tiende onverdeeld aan alle behoeftigen. Hij toont dus door de daad, met de handen te willen arbeiden, om te kunnen geven aan elk die gebrek lijdt. Dezelfde gave wordt nogmaals verleend in het 6e jaar, en dan volgt de grote Sabbat, waarin het land zijn rust viert, bezitters en nietbezitters gelijk voedt door ongedwongen opbrengst, en hun tijd geeft, om ongestoord te denken aan de belangen van de ziel. Men heeft ook wel van een derde tiende gesproken, maar waarschijnlijk ten onrechte, omdat men het gebruik van de tweede tiende in het 3e en 6e jaar als zodanig beschouwde. Toch is het wel mogelijk, dat men de armentienden in het 3e en 6e jaar voor de behoeftigen overgaf, en in die jaren een derde tiende voor de tempelmaaltijd afzonderde, wat voorzeker niet in strijd zou geweest zijn met de bedoelingen van de goddelijke wet. .
Men kan deze tienden niet de derde tienden noemen, zoals vele rabbijnen hebben gedaan, maar veeleer de armentienden..
2) Opdat Israël zich beijveren zal, om ook deze verordening van God te gehoorzamen, voegt de Heere de belofte van zegen en voorspoed aan dit gebod toe..
29. Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erfgoed met u heeft, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten; 1) zij zullen in uw woning een tiendmaaltijd met elkaar houden van hetgeen gij achtergelaten hebt, en verzadigd worden, opdat u de HEERE, uw God, ook verder zegent in al het werk van uw hand, dat gij doen zult; want zijn zegen zal slechts uw deel zijn, wanneer gij overeenkomstig zijn geboden handelt. 2)
1) Hiermee is nu de instelling van de tienden volledig beschreven; wij werpen daarom nogmaals een blik op de samenhang, het wezen en de betekenis van deze verordening. Reeds de toewijding van de eerstgeboorten (Exodus 13:2,11, Leviticus 27:26, Numeri 3:5-13; 8:16-19; 18:15-18 Numeri 3:5-13 8:16-19 18:15-18), en de opbrengst van de eerstelingen (Exodus 23:19 Numeri 18:12, ) moest Israël voorstellen als een volk van het eigendom en zijn bezittingen als een gave van de Heere, waarvan zij slechts de rentmeesters en vruchtgebruikers waren. Deze gaven moesten daarom naar Gods wil besteed worden, d.i. tot bevordering van Gods rijk en van de ware godsdienst, tot betamelijke veraangenaming van het leven, en tot ondersteuning van de hulpbehoevende naaste. Dit nu werd door de instelling van de tienden geregeld en in de harten van het volk ingeprent. Het tiende gedeelte van alle inkomsten moet afgezonderd worden, omdat het getal tien, als insluitende alle grondgetallen, zinnebeeld van de volledigheid is, en de omvang van het geheel dus op de beste wijze afbeeldt. Een eerste tiende, voor de Levieten bestemd, moet gebruikt worden tot bevordering van het Godsrijk (Leviticus 27:30, Numeri 28:21, ); van het overblijvende wordt een tweede tiende afgezonderd, die eerst nu ter sprake komt, waar Israël het beloofde land zal beërven. Bij het einde van ieder eerste en tweede jaar na het zevende moet zij gebruikt worden tot een maaltijd voor de huisgenoten, en wel bij het heiligdom. Israël moest zich daar verheugen in de gaven van zijn God, het goede van de aarde als een dankoffer genieten, en het bewustzijn meenemen, dat ook de voorraad thuis op gelijke wijze en met hetzelfde doel te besteden was, namelijk ten behoeve van het gezin, als onder Gods ogen, en in Zijn gemeenschap. In het derde jaar echter doet de godvruchtige dienstknecht van de Heere voor zich en de zijnen afstand van dit genot, en schenkt zijn tiende onverdeeld aan alle behoeftigen. Hij toont dus door de daad, met de handen te willen arbeiden, om te kunnen geven aan elk die gebrek lijdt. Dezelfde gave wordt nogmaals verleend in het 6e jaar, en dan volgt de grote Sabbat, waarin het land zijn rust viert, bezitters en nietbezitters gelijk voedt door ongedwongen opbrengst, en hun tijd geeft, om ongestoord te denken aan de belangen van de ziel. Men heeft ook wel van een derde tiende gesproken, maar waarschijnlijk ten onrechte, omdat men het gebruik van de tweede tiende in het 3e en 6e jaar als zodanig beschouwde. Toch is het wel mogelijk, dat men de armentienden in het 3e en 6e jaar voor de behoeftigen overgaf, en in die jaren een derde tiende voor de tempelmaaltijd afzonderde, wat voorzeker niet in strijd zou geweest zijn met de bedoelingen van de goddelijke wet. .
Men kan deze tienden niet de derde tienden noemen, zoals vele rabbijnen hebben gedaan, maar veeleer de armentienden..
2) Opdat Israël zich beijveren zal, om ook deze verordening van God te gehoorzamen, voegt de Heere de belofte van zegen en voorspoed aan dit gebod toe..