21. Als dan iemand zichzelf van deze vaten ter onere reinigt, uit de verontreinigende gemeenschap treedt, zoals ik daartoe reeds in
1 Timotheus 6:5 vermaande, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik van de Heere, tot bevordering van de welvaart van Zijn huis, tot alle goed werk toebereid; en zo'n vat te zijn is toch zeker ook de bijzondere wens van uw hart (
Vers 15).
Tot het fundament van God, zo heeft de apostel in Vers 19 gezegd, behoren alleen zij, die de Heere echt toebehoren. In Vers 20 v. gaat de apostel meteen over tot de factische openbaring van de kerk, die in haar vorm, uit verschillende en zelfs tegenovergestelde elementen samengesteld, deze bewering schijnt tegen te spreken. Hij wil nu aanwijzen dat dit natuurlijk en relatief noodzakelijk is in een groot huis, zoals de kerk zich factisch openbaart. Aan de andere kant wil hij daaraan de vermaning verbinden, om zich te reinigen van alles, wat in een huis van God tot een vat ter onere maakt. Bij de woorden "in een groot huis" moet wel gelet worden op het woord "groot". Het drukt ongeveer dezelfde gedachte uit, als de gelijkenis van het net in Mattheus 13:47, Is dat eens in de zee geworpen, dan kan het niet anders zijn, dan dat het vissen van allerlei aard opneemt en evenals wat eerst een "vast fundament" (Vers 19) was in de kerk, als zij openbaar geworden is, tot een groot huis wordt, kan ook bij haar niet achterblijven wat bij elke grote woning plaats vindt, dat zij vaten verschillend in waarde en gebruik in zich bevat. Zo leert onze plaats ons de kerk op dubbele manier te beschouwen, ten eerste als het door God in de wereld gevestigde gebouw, waartoe alleen zij behoren, die de Heere echt toebehoren; en vervolgens als een groot huis, waarin wat van elkaar onderscheiden, ja, aan elkaar tegenovergesteld is, bij elkaar wordt gevonden. Het recht tot onderscheiding tussen een zichtbare en een onzichtbare kerk, welke laatste binnen de eerste de vaste grond vormt (Romeinen 11:1), is daaruit even duidelijk als dat het ten onrechte is als men de werkelijke openbaring van de kerk (het "grote huis tot de vorm van "het vaste fundament van God", al is het ook maar voor een deel, wil reduceren en daarom de vaten ter onere wil afscheiden. Geen uitwendige scheiding, maar het zichzelf reinigen van zulke mensen, noemt de apostel als het middel, dat hier moet worden aangewend.
Ook onder de gouden en zilveren vaten moeten de waardige, de echte onder de houten en aarden vaten de onoprechte leden van de gemeente worden verstaan. Elke klasse heeft echter in zichzelf haar trappen (vgl. Mattheus 13:23).
Vooral mag niet worden voorbijgezien, dat de eerste uit onvergankelijk, edel metaal, de andere daarentegen alleen uit breekbaar hout of aarde stof vervaardigd zijn en dus niet tot een blijvend, maar slechts tot een tijdelijk gebruik bestemd zijn, waarna zij worden weggedaan.
Zeker moesten alle leden van de kerk gouden en zilveren vaten zijn. Want zij is het lichaam van Christus, de kuise maagd, die geen vlek heeft; maar het is niet door de aard, of door de organisatie van de stof bepaald, of iemand een gouden of een aarden vat is, maar door onze wil. In de materiële wereld kan van een aarden vat nooit een gouden en uit een gouden nooit een aarden vat worden; in de geestelijke wereld is echter zo'n verandering en omkering. Paulus was een aarden vat, hij werd echter een gouden; Judas was een gouden vat, hij werd een aarden.
C. Vers 22-Hoofdstuk 3:12. "Liefde", De eerste vermaning, waarmee de apostel tot een nieuwe afdeling overgaat is: "Ontvlucht de begeerlijkheden van de jeugd". Deze wijst aan, dat hij, zoals het door ons hier boven geplaatste woord te kennen heeft, Timotheus wil onderrichten, tot welke ambtsbediening de Geest van God, als een geest van de liefde hem dringen moest. De begeerlijkheden of geneigdheden toch van de jeugd drongen er bij Timotheus op aan, om de plicht van de Christelijke liefde zo op te vatten, alsof hij het verkeer met hen, die de vaten ter onere in het huis van God uitmaken (Vers 20), niet geheel hoefde op te geven (Vers 21), maar alsof hij door met hen te spreken en door voorstellingen van de waarheid hen moest proberen te overwinnen en te overtuigen. Dergelijke idealistische gedachten moet hij echter terzijde stellen en daarentegen een liefde betrachten, zoals die met het zoeken naar de gerechtigheid en het geloof harmonieert en het zoeken van innige gemeenschap met alle ware, oprechte Christenen ten gevolge heeft. Met zo'n liefde is niet te rijmen het zich inlaten met strijdvragen, die slechts twist veroorzaken, maar zij eist iets anders, namelijk dit, dat een knecht van de Heere zich vriendelijk betoont jegens allen, bereid is om te onderrichten en op de juiste weg te brengen, waar ook maar de gelegenheid daartoe zich aanbiedt, dat hij met zachtmoedigheid hen draagt, die hem moeite veroorzaken en ook nog niet wanhoopt aan de bekering van hen, die hem nu nog tegenspreken (Vers 22-26). De apostel karakteriseert vervolgens nader de mensen naar hun zedelijke gesteldheid, zoals zij in de laatste dagen vóór Christus van de hemel verschijnt en aan de tegenwoordige loop van de wereld een einde maakt, de grote massa van de uitwendige Christenen zullen uitmaken. Hij gaat met zijn beschrijving zo ver, dat hij ze voorstelt als degenen, die wel de schijn van godzaligheid hebben, maar de kracht ervan verloochenen. Vervolgens vestigt hij de aandacht van Timotheus op hen, die in de tegenwoordige gemeente reeds aanwezig zijn en op wie dat laatste eveneens toepasselijk is en wier zoeken er alleen toe dient, om zulke mensen te vormen, zoals die in de laatsten tijd er zullen zijn. Deze moet hij mijden, als zij zich aan hem opdringen, hen moet hij dadelijk van zich wijzen en niet door de schijn van godzaligheid zich laten misleiden, om hen voor medehelpers in zijn werk aan te zien. Dat zou een omkering van die liefde zijn, die hij moet beoefenen, een verkeerd vrede houden met allen zijn, terwijl de apostel daartoe vermaande met allen, die de Heere aanroepen uit een rein hart (Hoofdstuk 2:22). Ook mag hij niet vrezen door afwijzing van die mensen, die van verkeerde gedachten zijn en geen proefhoudend geloof bezitten, zich gevaarlijke vijanden op de hals te halen; zij zullen het toch niet lang uithouden, maar snel met hun dwaasheid tot schande worden (Hoofdstuk 3:1-9). Is Paulus zo eens gekomen op het onderwerp van sympathie, nu herinnert hij Timotheus nog aan zijn oorspronkelijk sympathiseren, toen hij een helper van de apostelen werd en dringt er bij hem op aan om zijn oorspronkelijke sympathie ook verder vast te houden. Het is een sympathie met allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, waarvoor zij dan zeker ook vervolging moeten lijden (Vers 10-12).