2 Timotheus 2:19-21
Hier zien wij, waarmee wij ons zelven mogen troosten, ten opzichte van deze en van andere kleinere dwalingen en ketterijen, die de gemeente besmetten en in beroering brengen en haar schade doen.
I. Het moet ons een grote troost zijn, dat het ongeloof van mensen de belofte Gods niet teniet kan doen. Ofschoon het geloof van sommigen verkeerd wordt, toch het vaste fondament Gods staat, vers 19, het is onmogelijk dat zij de uitverkorenen kunnen verleiden. Ook kan dit bedoeld zijn van de waarheid zelf, die zij aanvallen. Alle aanvallen van de macht der duisternis tegen de leer van Christus kunnen haar niet schokken, zij staat vast en biedt het hoofd aan alle stormen, die tegen haar razen. De profeten en apostelen, dat is, de leer van Oud en Nieuw Testament, staat onbeweeglijk. Zij heeft een regel met twee opschriften, aan elke zijde een, zoals gewoonte is in een grootzegel.
1. Het ene opschrift drukt onzen troost uit: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, en wie het niet zijn, Hij kent hen, dat is, Hij erkent hen, kent hen zo dat Hij hen nooit verliezen zal. Ofschoon het geloof van sommigen is verkeerd, toch kent de Heere den weg der rechtvaardigen, Psalm 1:6. Niets kan het geloof verkeren van hen, die God uitverkoren heeft.
2. Het andere zegel toont onzen plicht: Een iegelijk, die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. Zij, die het voorrecht van de vertroosting willen genieten, moeten het ernstig nemen met de verplichting. Zo de naam van Christus over ons genoemd is, moeten wij afstaan van ongerechtigheid, anders zal Hij ons niet erkennen, maar in den groten dag tot ons zeggen: Ik heb u nooit gekend, gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt, Mattheus 7:23. Merk op:
A. Welke dwalingen ook in de gemeente mogen gebracht worden, het vaste fondament Gods staat en Zijn voornemen kan nimmer vernietigd worden.
B. God heeft sommigen in de gemeente, die de Zijnen zijn en die Hij als de Zijnen kent.
C. Belijdende Christenen noemen den naam van Christus, zijn naar Zijn naam genoemd, en moeten dus afstaan van de ongerechtigheid, want Christus heeft zich zelven voor ons gegeven, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, Titus 2:14.
II. Een ander ding, dat ons vertroosten kan, is dat, ofschoon sommigen van het geloof afgekeerd worden, anderen aan hun oprechtheid vasthouden en er bij volharden, vers 20. In een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten enz. De gemeente van Christus is een groot huis, een wel- gemeubeld huis. Nu zijn sommige van de huishoudelijke voorwerpen van grote waarde, andere hebben weinig waarde en worden tot geringe doeleinden gebruikt, zoals de vaten van hout en aardewerk. Evenzo is het in de gemeente. Er zijn sommige belijders van den godsdienst gelijk aan houten en aarden vaten, zij zijn vaten ter onere. Maar daardoor zijn niet alle vaten ter onere, er zijn ook vaten van goud en zilver, vaten ter ere, geheiligd en bekwaamd tot gebruik des Heeren. Wanneer wij ontmoedigd worden door de slechtheid van sommigen, moeten wij ons zelven bemoedigen door de beschouwing van de deugdelijkheid der anderen. Voor ons zelven hebben wij toe te zien, dat wij vaten ter ere mogen zijn, wij moeten ons zelven van dat bederf reinigen, opdat wij aan des Meesters dienst geheiligd mogen zijn. 1. In de gemeente zijn sommige vaten ter ere en sommige ter onere, er zijn vaten der barmhartigheid en vaten des toorns, Psalm 9:22, 23. Sommigen onteren de gemeente door hun verkeerde denkbeelden en slechten wandel, en anderen eren haar en geven haar aanzien door hun voorbeeldig gedrag.
2. De mens moet zich zelven reinigen van die dwalingen, alvorens hij een vat ter ere kan zijn en geschikt voor den dienst des Meesters.
3. Elk vat moet voor des Meesters dienst geschikt zijn, ieder lid in de gemeente, dien God goedkeurt, moet aan zijns Meesters dienst gewijd zijn en geschikt voor Zijn gebruik.
4. Heiligmaking des harten is onze voorbereiding voor elk goed werk. De boom moet goedgemaakt worden, zal de vrucht goed zijn.