2 Timotheus 3:1-9
Timotheus moest het niet vreemd vinden, dat er in de gemeente slechte mensen gevonden werden, - want het net van het Evangelie omvat goede en slechte vissen, Mattheus 13:47, 48. Jezus Christus heeft voorzegd, Mattheus 24, dat er verleiders zullen komen, en daarom moeten wij daardoor niet ontstellen, of slechter over den godsdienst en de gemeente denken. Zelfs in goudaderen is vuil, en er ligt een groot deel kaf onder het koren op den dorsvloer.
I. Timotheus moest weten, dat in de laatste dagen, vers 1, in den tijd des Evangelies, zware tijden ontstaan zullen. Ofschoon de tijd des Evangelies in vele opzichten een tijd van hervorming was, moest hij toch bedenken dat er in dien tijd zware tijden komen zouden, niet zozeer door de vervolgingen als wel door het bederf. Het zouden moeilijke tijden zijn, waarin het zwaar zou vallen een goed geweten te bewaren. Hij zegt niet: Zware tijden zullen komen, want Joden en heidenen zullen samenspannen om het Christendom uit te roeien, maar zware tijden zullen komen door hen, die een gedaante van godzaligheid hebben, vers 5, zij zullen bedorven en boos zijn en veel schade aan de gemeente doen. Twee verraders in een garnizoen doen meer kwaad dan duizend belegeraars. Zware tijden zullen komen, want de mensen zullen boos zijn.
1. Zonde maakt de tijden zwaar. Indien er een algemeen bederf van manieren en van de gemoederen der mensen is, maakt dat de tijden gevaarlijk om in te leven, want het is moeilijk onze oprechtheid te bewaren temidden van algemeen bederf.
2. Het komen van zware tijden is een bewijs voor de waarheid van de voorspellingen der Schrift, wanneer in dit opzicht de gang der gebeurtenissen niet aan de profetie beantwoordde, zouden wij in verzoeking komen om de goddelijkheid des Bijbels te betwijfelen.
3. Het is ons aller belang dit te weten, te geloven en in aanmerking te nemen, opdat wij niet verrast worden wanneer wij zien dat de tijden zwaar zijn. "En weet dit!"
II. Paulus deelt Timotheus mede, waardoor de tijden zo zwaar zouden worden, en wat de kentekenen zullen zijn, waaraan men die tijden herkennen kan, vers 2 en v.v.
1. Zelfliefde maakt die tijden zo zwaar. Wie is er, die zich zelven niet liefheeft? Maar hier wordt een onmatige, zondige, eigenliefde bedoeld. De mensen zullen hun vlees meer liefhebben dan hun geestelijk deel. De mensen hebben hun lusten lief en vieren die den teugel, meer dan God lief te hebben en hun plicht te vervullen. In plaats van Christelijke liefdadigheid, die zorgt voor het welzijn van anderen, zullen zij alleen aan zich zelven denken en hun eigen genoegen stellen boven de stichting der gemeente.
2. Geldgierigheid. Eigenliefde brengt een grote sleep van zonden met zich. Wanneer de mensen liefhebbers van zich zelven zijn, kan van hen geen goed verwacht worden, terwijl alle goed verwacht kan worden van hen, die God met hun ganse hart liefhebben. Wanneer geldgierigheid algemeen invloed gaat oefenen en ieder slechts zorgt om te krijgen wat hij kan en te houden wat hij heeft, dan worden de mensen voor elkaar gevaarlijk en moet ieder tegen zijn naasten op zijn hoede zijn. 3. Laatdunkend en hovaardig. De tijden zijn zwaar, wanneer de mensen hoogmoedig op zich zelven, bluffers en lasteraars worden, bluffers tegenover de mensen, die zij verachten en met wantrouwen aanzien, lasteraars van God en Zijn naam. Indien de mensen God niet vrezen, zullen zij geen mens ontzien, en om gekeerd.
4. Den ouderen ongehoorzaam. Wanneer de kinderen den ouderen ongehoorzaam zijn en de verplichtingen breken, die op hen rusten, van plicht en dankbaarheid, en gewoonlijk ook van hun eigen belang, daar zij van hun ouders afhangen en alles van hen moeten verwachten, dan zijn de tijden zwaar, want voor welke godloosheid zullen zij terugdeinzen, die hun ouderen ongehoorzaam zijn en tegen hen opstaan?
5. Ondankbaar, onheilig. Die zonden maken de tijden zwaar, zij gaan gewoonlijk hand aan hand. Welke reden is er, waarom de mensen onheilig en zonder vreze Gods zijn, anders dan hun ondankbaarheid voor de barmhartigheden Gods? Ondankbaarheid en goddeloosheid gaan samen, moet gij iemand ondankbaar noemen, dan is er geen erger naam voor hem. Ondankbaar en onrein, bevlekt met vleselijke lusten, dat is een toestand van grote ondankbaarheid jegens dien God, die ons van alles voorzien heeft wat voor het lichaam dienstig is, wij misbruiken Zijne gaven, indien wij het voedsel onzer lusten er van maken.
6. De tijden zijn zwaar wanneer de mensen niet meer hechten aan de banden, die de natuur of de gewone samenleving geknoopt hebben, wanneer zij zonder natuurlijke liefde en onverzoenlijk zijn, vers 3. Wij zijn natuurlijke welwillendheid jegens allen verplicht. Overal, waar mensen gevonden worden, moet menselijkheid heersen, maar voornamelijk tussen bloedverwanten. De tijden zijn zwaar wanneer de kinderen den ouderen ongehoorzaam zijn, vers 2, en de ouders den kinderen geen natuurlijke liefde toedragen, vers 3. Zie hier hoe diep het bederf der zonde gaat, hoe het de mensen ontbloot zelfs van de liefde, die de natuur hun voor hun eigen kinderen heeft ingeplant, want de liefde van de ouders tot de kinderen is een machtig middel voor de instandhouding van de mensheid op aarde. En het is niet te verwonderen dat zij, die niet meer door natuurlijke liefde zich verbonden gevoelen, ook door de plechtigste beloften en verbonden zich niet gebonden achten. Zij zijn onverzoenlijk, en maken er geen gewetensbezwaar van om de verplichtingen te verbreken, die zij zelf op zich genomen hebben.
7. De tijden zijn zwaar, wanneer de mensen zijn achterklappers, valse beschuldigers van elkaar, diaboloi, duivels voor elkaar, zonder eerbied voor elkanders goeden naam, of voor de verplichting van den eed, maar denkende dat zij alles doen en zeggen mogen wat hun behaagt, Psalm 12:4.
8. Wanneer de mensen geen bedwang meer hebben over zich zelven en over hun lusten-niet over hun begeerlijkheden, want zij zijn onmatig, niet over hun hartstochten, want zij zijn wreed, wanneer zij geen zelfbeheersing hebben, en aan een stad gelijk zijn, die een bres in de muren heeft, dan worden ze door de minste aanleiding in vuur en vlam gezet.
9. De tijden zijn zwaar, wanneer hetgeen goed is en geëerd behoort te worden, over het algemeen veracht en vertrapt wordt. Het is de trots van vervolgers, dat zij met verachting neerzien op goede mensen, alhoewel die beter zijn dan hun naasten. 10. De tijden zijn zwaar wanneer de mensen zijn verraders, roekeloos, opgeblazen, vers 4. Onze Zaligmaker heeft voorzegd dat de ene broeder den anderen broeder, en de vader het kind, ter dood zullen overleveren, Mattheus 10:21, en dat zijn de ergste verraders. Zij, die hun Bijbels aan de vervolgers overgaven, werden traditores genoemd, want zij verrieden de waarheid, die hun toevertrouwd was. Wanneer de mensen onbeschaamd en opgeblazen zijn, zich tegen allen aanmatigend gedragen, en deze gemoedsgesteldheid over het algemeen de overhand krijgt, dan zijn de tijden zwaar.
11. Ook wanneer de mensen meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods zijn. Wanneer zij meer lekkerbekken dan ware Christenen zijn, dan zijn de tijden zeker zeer slecht. God moet bovenal bemind worden. Het is vleselijk-gezindheid en vijandschap tegen God, wanneer enig ding boven Hem verkozen wordt en vooral zulk een ding als vleselijke wellust is.
12. Vooral zijn de tijden zwaar wanneer de mensen, niettegenstaande dat alles een gedaante van godzaligheid hebben, vers 5, Christenen genoemd worden, den Christelijken doop ontvangen hebben, vertoon van godsdienstigheid maken, maar-hoe aannemelijk hun vorm van godzaligheid ook zij, haar kracht verloochend hebben. Wanneer zij de gedaante aannemen, die de kracht met zich behoorde te brengen, maar wanneer zij scheiden wat God verenigd heeft, wanneer zij de gedaante der godzaligheid aannemen om vrij te blijven van bestraffing, maar niet haar kracht zich toe-eigenen om vrij te blijven van de zonde. Merk op:
A. De mensen zijn soms zeer goddeloos en slecht onder een gedaante van godzaligheid, zij kunnen liefhebbers van zich zelven enz. zijn en toch zich zeer godsdienstig voordoen.
B. De vorm van godzaligheid is geheel iets anders dan haar kracht, iemand kan den enen hebben en geheel van de andere ontbloot zijn, ja die zelfs verloochenen, ten minste in zijn bijzonder leven.
C. Aan dezulken moeten ware Christenen zich onttrekken.
III. Paulus waarschuwt Timotheus op zijn hoede te zijn tegen zekere verleiders, niet alleen om zelf niet door hen medegetrokken te worden, maar ook om tegen hun verleiding gewapend te zijn voor degenen, die aan zijne zorg toevertrouwd werden.
1. Hij toont hem hoe ijverig dezen zijn om volgelingen te winnen, vers 6, zij dienen zich aan bij de mensen, bezoeken hen in hun huizen omdat zij niet openlijk durven optreden, want die het kwade doet haat het licht, Johannes 3:20. Zij werden niet gedwongen om binnenshuis te werken, zoals ware Christenen dikwijls in tijden van vervolging overkwam, maar zij verkozen de huizen binnen te sluipen, zich in de goede mening van de mensen in te dringen en die zo tot hun partij over te halen. En zie nu welke soort van mensen zij voor zich wonnen en tot hun volgelingen maakten Dat waren zwakken: vrouwkens en het waren ondeugenden: die met zonden geladen zijn en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden. Een onnozel hoofd en een bedorven hart maken de mensen, en vooral de vrouwen, een lichte prooi voor zulke verleiders.
2. Hij toont aan hoever die mensen er af zijn van tot de kennis der waarheid te zullen komen, ofschoon zij voorgeven altijd te leren, vers 7. In zekeren zin moeten wij altijd leren, dat is, altijd toenemen in kennis, voortgaan in het kennen van den Heere, voorwaarts dringen, maar dezen waren twijfelzuchtig, babbelziek en onstandvastig, geneigd om elk nieuw denkbeeld aan te grijpen onder voorwendsel van daardoor toe te nemen in kennis, maar zij kwamen nooit tot recht verstand van de waarheid, die in Jezus is.
3. Hij zegt dat er aan hun toenemen paal en perk gesteld zal worden, vers 8 en 9, en vergelijkt hen met de Egyptische tovenaars, die Mozes tegenstonden, en die hier Jannes en Jambres genoemd worden, alhoewel deze namen niet in het Oude Testament te vinden zijn, worden zij door sommige oude Joodse schrijvers zo genoemd. Toen Mozes met een goddelijk bevel kwam om Israël uit Egypte te doen vertrekken, wederstonden deze tovenaars hem. Zo staan ook deze ketters de waarheid tegen, en gelijk zij waren ze mensen, verdorven van verstand, mensen, die hun verstand verdorven, verlaagd en tegen de waarheid ingenomen hadden. Zij waren verwerpelijk aangaande het geloof, verre van ware Christenen te zijn. Maar zij zullen niet meerder toenemen, of niet veel vorderen, zoals sommigen lezen. Merk op:
A. Verleiders zoeken verborgen plaatsen en beminnen de duisternis, zij zijn bevreesd voor openbaarheid en sluipen daarom de huizen in. Bovendien vallen zij bij voorkeur aan degenen, die het minst instaat zijn om zich te verdedigen, onnozele en slechte vrouwen.
B. Verleiders zijn in alle eeuwen dezelfden. Hun kenmerken zijn dezelfde: mensen met een verdorven verstand, hun gedrag is hetzelfde: zij staan de waarheid tegen gelijk Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, en hun teleurstelling zal ook dezelfde zijn.
C. Zij, die de waarheid tegenstaan, zijn schuldig aan dwaasheid, ja aan ergerlijke dwaasheid, want groot is de waarheid en zij overwinnen.
D. Ofschoon de geest der dwaling voor een tijd mag losgelaten worden: God houdt de keten in handen. Satan kan de volken en de gemeenten niet langer bedriegen dan God het hem toelaat. Zij zullen niet meerder toenemen, het zal openbaar worden dat zij bedriegers zijn en ieder zal hen verlaten.