2 Thessalonicenzen 3:1-5
In deze woorden merken wij op:
I. De apostel begeert de gebeden van zijne vrienden. Voorts, broeders, bidt voor ons, vers 1. Hij gedacht hunner altijd in zijne gebeden, en wenste dat zij hem en zijne medearbeiders niet zouden vergeten, maar hen op het harte dragen voor den troon der genade. Merk hier op:
1. Dit is een middel om de gemeenschap der heiligen levendig te houden, niet alleen dat zij samen bidden, of met elkaar bidden, maar dat zij voor elkaar bidden tijdens elkanders afwezigheid. En zij, die op groten afstand van elkaar zijn, kunnen daardoor elkaar ontmoeten voor den troon der genade, en zij, die geen gelegenheid hebben om elkaar enige vriendelijkheid te betonen, kunnen elkaar daardoor de grootste en meest-werkelijke vriendelijkheid bewijzen.
2. Het is de plicht der gemeente voor hare dienaren te bidden, en niet alleen voor haar eigen herders, maar voor alle goede en getrouwe dienaren.
3. Dienaren behoeven, en moeten dus verlangen naar, de gebeden der gemeente. Hoe merkwaardig is de nederigheid en hoe uitlokkend het voorbeeld van dezen groten apostel, die zelf zo machtig was in het gebed, en toch de gebeden van den geringsten der Christenen niet versmaadde, maar ze begeerde en er behoefte aan gevoelde. Merk verder op, waarvoor hij verlangde en verzocht dat gebeden zou worden, namelijk:
A. Voor zegen op het Evangelie en zijne bediening. Dat het woord des Heeren zijn loop hebbe en verheerlijkt worde gelijk ook bij u, vers 1. Dit was de grote zaak, waarnaar Paulus het meest verlangde. Hij was begeriger naar de heiliging van Gods naam en de vervulling van Zijnen wil, dan naar zijn dagelijks brood. Hij begeerde dat het woord des Heeren mocht lopen (dat betekent het oorspronkelijke woord) dat het mocht veld winnen, dat de zaak van den godsdienst in de wereld mocht vooruitgaan, en niet alleen vooruitgaan, maar geregeld lopen. Alle krachten der hel waren toen, en zijn nog, meer of min opgewekt en gemonsterd om het woord des Heeren tegen te staan, zijn verbreiding en voortgang te verhinderen. Wij moeten derhalve bidden dat de tegenstand worde weggenomen, zodat het Evangelie vrijen toegang verkrijge tot de oren, de harten en de gewetens der mensen, dat het verheerlijkt worde door de overtuiging en bekering van zondaren, de neder werping van tegensprekers en de gemeenschap der heiligen. God, die de wet heerlijk en eervol maakte, zal het Evangelie verheerlijken en eervol maken, en zo Zijn eigen naam verheerlijken. Goede dienaren en oprechte Christenen moeten tevreden zijn zo zij weinig, ja niets, worden, wanneer slechts Christus geëerd en Zijn Evangelie verheerlijkt worde. Paulus was toen te Athene, of, naar sommigen menen te Corinthe, en verlangde dat de Thessalonicenzen zouden bidden dat hij daar even zoveel zegen had als te Thessalonica, dat het anderen zo goed mocht gaan als hen zelven. Indien de dienaren op de ene plaats goed geslaagd zijn, moeten zij begeren even goed te slagen in alle andere plaatsen, waar zij het Evangelie mogen verkondigen.
B. Voor de veiligheid van de dienaren des Evangelies. Hij vraagt hun gebeden niet voor hun gemak, maar voor bewaring. Dat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen. Zij, die vijanden zijn van de prediking des Evangelies en vervolgers van zijn verkondigers, zijn ongeschikte en boze mensen. Zij handelen tegen alle regelen en wetten van rede en godsdienst in en staan schuldig aan de grootste goddeloosheid en dwaasheid. Niet alleen in de beginselen van godloochening en ongeloof, maar ook in de daden van ondeugd en onzedelijkheid, liggen de grootste onredelijkheid en godloosheid der wereld. Er is behoefte aan geestelijke bescherming, zowel als aan bijstand, van gelovige en getrouwe dienaren, want die zijn de standaarddragers, op wie het meest gemikt wordt, en daarom moeten allen, die het wèl menen met het belang van Christus in de wereld, voor hen bidden. Want het geloof is niet aller, dat is: velen geloven niet in het Evangelie, willen het niet omhelzen, en het is geen wonder als dezulken rusteloos en ijverig zijn in hun pogingen om het Evangelie tegen te staan, zijne bediening te beschimpen, en de dienaren te onteren. En maar al te velen hebben geen gevoel voor de gewone eerlijkheid, wij kunnen geen vertrouwen in hen stellen, en daarom moeten wij bidden dat wij verlost mogen worden van hen, die geen geweten en geen eer hebben, die geen acht slaan op wat zij zeggen of doen. Wij zijn soms meer in gevaar door valse en voorgewende vrienden, dan door openlijke en erkende vijanden.
II. Hij moedigt hen aan om op God te vertrouwen. Wij moeten niet enkel God bidden om Zijne genade, maar ook ons vertrouwen vestigen op Zijne genade, en nederig verwachten hetgeen, waar wij om bidden. Merk op:
1. Welk goeds het is, dat wij van Gods genade mogen verwachten: versterking, bewaring voor het kwaad, en de beste Christenen hebben aan deze gaven behoefte.
A. Dat God hen versterke. Dat had de apostel voor hen gebeden, 2:17, en nu moedigt hij hen aan om deze genade ook te verwachten. Wij staan niet langer dan God ons staande houdt, tenzij Hij onze voeten op Zijne paden houdt, zullen wij uitglijden, en dan zullen wij vallen.
B. Dat God hen beware van het boze. Wij hebben evenveel behoefte aan Gods genade voor onze volharding tot het einde als voor den aanvang van het goede werk. Het kwaad der zonde is het grootste kwaad, maar er zijn andere kwade dingen, waarvoor God Zijne heiligen ook zal bewaren, het kwaad van deze wereld, ja alle kwaad, tot Zijn hemels koninkrijk.
2. Welke aanmoediging wij hebben om ons op Gods genade te verlaten. De Heere is getrouw. Hij is getrouw aan Zijne beloften, en de Heere die niet liegen kan, ook zal er geen woord vallen, dat uit Zijn mond is gegaan. Indien dus enige belofte gegeven is, dan is haar vervulling zeker. Hij is getrouw aan Zijne betrekking, een getrouw God en een getrouw vriend, wij mogen er staat op maken dat Hij alle betrekkingen, waarin Hij tot Zijn volk staat, vervullen zal. Laat ons zorgen dat wij getrouw zijn in onze belofte en in de betrekking, waarin wij tot God staan. Hij voegt er bij:
3. Een andere grond van hoop, dat God dit voor hen doen zal, indien zij wilden volbrengen wat Hij bevolen had, vers 4. De apostel had dit vertrouwen in hen, en dat was gegrond op zijn vertrouwen in den Heere, want een andere grond voor vertrouwen in mensen bestaat niet. Hun gehoorzaamheid zal blijken door het verrichten van hetgeen hij en zijn medearbeiders hun bevolen hadden, hetgeen niet anders was dan het bevel des Heeren, want de apostelen hadden geen ander bevel dan den mensen te leren te onderhouden en te doen al wat de Heere bevolen had, Mattheus 28:20. En gelijk de ondervinding, die de apostel in den vroegeren tijd van hun gehoorzaamheid had, de grond was voor zijn vertrouwen dat zij ook in het vervolg de hun bevolen dingen doen zouden, zo is dit een grond van hoop, dat zo wat wij bidden, wij van Hem zullen ontvangen, dewijl wij Zijne geboden bewaren en doen hetgeen behagelijk is voor Hem, 1 Johannes 3:22. III. Hij zendt een kort gebed voor hen op, vers 5. Het is een gebed om geestelijke zegeningen. De apostel bidt om twee zegeningen van het grootste belang:
1. Dat hun harten mogen gericht worden tot de liefde van God, om met God bevriend te zijn als het heerlijkste en beminnenswaardigste Wezen, de beste aller vrienden, en dat is niet alleen wenselijk en noodzakelijk voor ons geluk, maar het is ons geluk zelf, het is een groot deel van de gelukzaligheid des hemels, waar deze liefde volkomen zal zijn. Wij kunnen dit nimmer bereiken tenzij God door Zijne genade onze harten daartoe richte, want onze liefde is zeer geneigd om zich aan andere dingen te hechten. Wij doen ons zeer veel schade door onze genegenheden te misplaatsen, het is onze zonde en onze ellende, dat wij onze genegenheid op verkeerde dingen vestigen. Zo God onze liefde op zich richt, zal al onze andere genegenheid daardoor goed geplaatst worden.
2. Tot de lijdzaamheid van Christus, die gevoegd moet zijn bij de liefde tot God. Er is geen ware liefde tot God zonder geloof in Christus. Wij moeten wachten op Christus, dat onderstelt ons geloof in Hem, dat wij geloven dat Hij eens kwam en weer komen zal in heerlijkheid, en wij moeten de wederkomst van Christus verwachten en daarvoor bereid zijn. Er moet zijn een lijdzaam wachten, een verdragen met moed en standvastigheid van al wat in dien tussentijd over ons komt, en wij hebben lijdzaamheid van node, en goddelijke genade van node om Christelijke lijdzaamheid (de lijdzaamheid van Christus) te beoefenen, geduld om Christus' wil en naar Zijn voorbeeld.