2 Thessalonicenzen 2:1-3
Uit deze woorden blijkt, dat sommigen onder de Thessalonicenzen de bedoeling van den apostel verkeerd hadden begrepen, in hetgeen hij in den vorigen brief geschreven had over de wederkomst van Christus, door te denken dat die zeer aanstaande was, dat Christus gereed stond om ten oordeel te verschijnen. Ook kan het zijn, dat sommigen hunner voorgaven daarvan kennis te hebben door een bijzondere openbaring van den Geest, of door enige woorden, die zij van den apostel gehoord hadden toen hij bij hen was, of uit een brief, dien hij geschreven had of dien zij voorwenden dat hij zou geschreven hebben aan hen of aan anderen. En daarom is de apostel zorgzaam om deze vergissing weg te nemen en te voorkomen dat die dwaling verbreid werd. Merk op: Wanneer dwalingen en verkeerde begrippen onder de Christenen oprijzen, moeten wij de eerste gelegenheid de beste aangrijpen om ze te herstellen en de verbreiding daarvan tegen te gaan, en gelovigen moeten vooral zorgvuldig zijn om dwalingen te onderdrukken, die ontstaan uit misverstand van hun woorden en handelingen, ofschoon het gesprokene of verrichte op zichzelf geheel onschuldig was. Wij hebben een listigen tegenstander, die alle gelegenheden aangrijpt om nadeel te stichten en soms dwalingen verbreidt met de eigen woorden van de Heilige Schrift. Merk op:
I. Hoe ernstig en overredend de apostel spreekt om misverstand te voorkomen. Wij bidden u, broeders, enz., vers 1. Hij behandelt hen als broeders, ofschoon hij als een vader tot zijne kinderen had kunnen spreken. Hij toont grote vriendelijkheid en gemeenzaamheid, en beveelt zich aan in hun genegenheid. En dat is de beste wijze om met mensen om te gaan, die wij bewaren willen voor of terugbrengen van dwalingen: vriendelijk en toegenegen met hen te spreken. Ruwe en gestrenge behandeling zal hen tegen ons opzetten en vooringenomen maken tegen hetgeen wij hun zeggen willen. Hij betuigt en smeekt hen op de plechtigste wijze. Door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus. De woorden hebben den vorm van een eed, en de bedoeling is dat: indien zij geloofden dat de Heere Jezus komen zal, en indien zij daarnaar verlangden en zich daarin verheugden, dan moesten zij ook zorgvuldig de dwaling vermijden, met haar kwade gevolgen, waartegen hij hen nu ging waarschuwen. Uit deze wijze van doen van den apostel kunnen wij leren:
1. Het is zeer zeker, dat de Heere Jezus Christus zal komen om de wereld te oordelen, dat Hij in al de pracht en heerlijkheid van de hogere wereld ten laatsten dage verschijnen zal om de Rechter van alle mensen te zijn. Waaromtrent wij ook in het onzekere mogen zijn, en welke dwalingen omtrent den tijd van Zijn wederkomst mogen opkomen, die komst zelf staat vast. Dat is de hoop en verwachting van alle Christenen in alle eeuwen der kerk geweest, ja, het was de hoop en verwachting van de Oud-Testamentische heiligen, zelfs sedert de dagen van Henoch, den zevenden van Adam, die zei: Ziet de Heere komt enz., Judas 14.
2. Bij de wederkomst van Christus zullen alle heiligen tot Hem vergaderd worden, en de vermelding van deze toevergadering van al de heiligen tot Christus toont aan, dat de apostel spreekt van Christus' wederkomst ten oordeel ten laatsten dage, en niet van Zijne komst in de verwoesting van Jeruzalem. Hij spreekt van een bepaalde gebeurtenis en niet overdrachtelijk, en gelijk het te dien dage een deel van de eer van Christus zijn zal, zo zal het ook de volmaking van het geluk Zijner heiligen zijn.
A. Zij zullen allen tot Hem toevergaderd worden. Er zal een algemene vergadering van alle heiligen zijn, en niet slechts van heiligen, al de Oud-Testamentische heiligen, die met Christus gemeenschap hadden door de donkere schaduwen der wet en Zijn dag in de verte zagen, en al de Nieuw- Testamentische heiligen, voor wie het leven en de onverderflijkheid door het Evangelie aan het licht gebracht zijn, allen zullen samen vergaderd worden.
B. Zij zullen vergaderd worden tot Christus. Hij zal het grote middelpunt van hun vereniging zijn. Zij zullen allen vergaderd worden tot Hem, om Zijne lijfwacht te vormen, om Zijne bijzitters te zijn, om door Hem aan den Vader voorgesteld te worden, om altijd met Hem te zijn en voor eeuwig gelukkig Zijne tegenwoordigheid te genieten.
C. De leer van Christus' toekomst en onze toevergadering tot Hem is een punt van groot belang voor de Christenen, anders zou ze niet het voorwerp uitmaken van des apostels smeking. Wij moeten daarom deze dingen niet alleen geloven, maar ze hoog schatten, en er op zien als op dingen, waarbij wij het grootste belang hebben en zeer verblijd mee moeten zijn.
II. De zaak zelf, waartegen de apostel de Thessalonicenzen waarschuwt, is dat zij niet moeten worden misleid omtrent den tijd van de wederkomst van Christus, niet haastelijk bewogen van verstand of verschrikt. Verstandelijke dwalingen zijn zeer geschikt om ons geloof te verzwakken en ons moeite te veroorzaken. En zij, die zwak van geloof of licht verschrikt zijn, worden dikwijls gemakkelijk misleid en een prooi van verleiders.
1. De apostel wenst dat zij niet verleid zullen worden. Dat u dan niemand verleide op enigerlei wijze, vers 3. Er zijn velen, die op de gelegenheid wachten om te verleiden, en zij hebben vele middelen van verleiding, daarom hebben wij reden om voorzichtig en op onze hoede te zijn. Sommige verleiders zullen nieuwe openbaringen voorwenden, en dezen zullen de Schrift verkeerd uitleggen, weer anderen zullen zich schuldig maken aan grove bedriegerijen, verschillende laaghartige en listige middelen zullen de mensen gebruiken om ons op allerlei wijzen te verleiden. Het bijzondere geval, waarin de apostel hier waarschuwt, was zich niet te laten verleiden alsof de dag van Christus aanstaande ware, alsof het nog in de dagen van des apostels leven geschieden zou, en ofschoon deze dwaling er zeer onschuldig uitzag naar de mening van velen, toch zou ze-omdat ze een dwaling was -blijken voor menigeen slechte gevolgen te hebben. Daarom:
2. Waarschuwt hij hen om niet bewogen te worden van verstand of verschrikt.
A. Hij wilde dat hun geloof niet zou verzwakt worden. Wij moeten vast geloven in de toekomst van Christus, en in dat geloof bevestigd en gefundeerd worden, maar er is gevaar, en dat bestond tenminste bij deze Thessalonicenzen, dat wanneer men de toekomst van Christus als zeer aanstaande verwacht, en men ziet dat men met anderen daar te veel op gerekend en zich in den tijd vergist heeft, dat men dan eindigt met de zekerheid van de gehele zaak in twijfel te trekken. En daarom mochten zij niet bewogen worden van verstand ten aanzien van deze belangrijke zaak, die het geloof en de hoop van alle heiligen uitmaakt. Valse leringen zijn als de wind, die het water heen en weer stuwt, en ze zijn instaat om de zielen der mensen, die soms even onstandvastig zijn als water, te bewegen.
B. Hij wilde dat hun vertroosting niet zou afnemen, en dat zij niet zouden verschrikt en bedroefd worden door valse geruchten. Het is waarschijnlijk dat de wederkomst van Christus met zoveel drukte was voorgesteld, dat verscheidene ernstige Christenen onder hen daardoor waren verschrikt, ofschoon de zaak zelf een reden van hoop en blijdschap voor de gelovigen moet zijn. Ook waren zij wellicht verschrikt door de gedachte hoe verrassend die dag voor de wereld zou zijn, of door vrees van niet bereid te zullen bevonden worden, of door angst voor hun misvatting omtrent den tijd van Christus' komst. Wij moeten altijd waken en bidden, maar mogen niet ontmoedigd of ontroostbaar worden door de gedachte aan Christus' toekomst.