47. Doch de grens van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen: zij moesten zich, door gebrek aan woonplaats gedwongen, in het gebergte terugtrekken, omdatzij uit veel aan hen toegewezen plaatsen de Amorieten niet konden verdrijven, zoals hun plicht was (
Richteren 1:34). Daarom trokken de kinderen van Dan later, toen Jozua tot zijn vaderen verzameld was, op naar de streek ten noorden van het meer Merom, ten westen van Banjas of Baäl Hermon, en vochten tegen Lesem, of Laïs (
Richteren 18:7,
27), het hedendaagse Tell el Kady, aan de middelste Jordaanbron, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan naar de naam van hun vader
Daniël 2)
1) Wil men meer nazien over deze verovering, waardoor de stam Dan zijn oorspronkelijk gebied overschreed en zich ook vestigde in het hoogste noorden van Palestina, men zie dan Richteren 18. Sinds die tijd wordt Dan dikwijls de noordelijkste stad van de Israëlieten genoemd, zoals Berséba de zuidelijkste was, en de spreekmanier: "van Dan tot Berséba" gold als een uitdrukking om de eenheid van het gehele volk of van het gehele land uit te drukken (Richteren 20:1; 1 Samuël 3:20; 2 Samuël 3:10
2) Dit gebeurde echter na de dood van Jozua, zoals uit Richteren 18 blijkt, maar het verhaal van die overwinning wordt nu reeds tussen deze geschiedenissen ingelast om, zoals Calvijn opmerkt, te kennen te geven dat Dan in zoverre het Goddelijke bevel gehoorzaamde om wat nog niet veroverd was, op de oorspronkelijke inwoners te veroveren. In dit Dan richtte Jerobeam één van de gouden kalveren op, omdat het de uiterste noordelijke grens van Kanaän uitmaakte..
VII. Vers 49-50. Nadat zo de deling van het land bewerkstelligd is onder de 9 1/2 stammen en ieder dat deel gekregen heeft wat hij naar aard en aanleg behoefde en begeerde, bij welke verdeling de zegen van Jakob voor een groot gedeelte verwezenlijkt werd, krijgt ook Jozua zijn erfdeel. Tot nog toe heeft hij zichzelf opgeofferd voor de hem toevertrouwde stammen; als laatste denkt hij aan zichzelf, hij geeft ons hierin weer een getrouwe afspiegeling van de Grote Jozua, de Koning der Joden, die nimmer iets ten eigen bate gedaan heeft, Wiens lust het is, wanneer maar de Zijnen verheugd kunnen zijn. Maar nu-op het einde van de verdeling-wordt aan Jozua de stad Thimnath-Serah op het gebergte van Efraïm toegewezen, die hem reeds vroeger in het bijzonder door de Heere belooft was. Daarmee sluit het bericht over de verovering van het land.