2 Samuël 21:1-9
I. Hier wordt ons het kwaad meegedeeld dat Saul lang tevoren aan de Gibeonieten gedaan had, waarvan niet gesproken werd in de geschiedenis van zijn regering, en wij zouden er nu ook niet van gehoord hebben, als het niet was, dat thans over die zonde bezoeking gedaan wordt. De Gibeonieten waren van het overblijfsel van de Amorieten, vers 2, die door een list vrede hadden gemaakt met Israël, en aan wie door Jozua de openbare trouw verpand was voor hun veiligheid. Wij hadden die geschiedenis in Jozua 9. Er werd met hen overeengekomen, vers 23, dat zij wel veilig zouden zijn maar beroofd van hun land en hun vrijheid, en dat zij en de hunnen in dienstbaarheid zouden zijn aan Israël. Het blijkt niet dat zij van hun kant ooit het verbond hadden verbroken, hetzij door hun diensten te weigeren of door pogingen te doen om weer in het bezit te komen van hun land en van hun vrijheden. Dit werd ook nooit gezegd of voorgewend maar onder schijn van ijver voor de eer van Israël, opdat er niet gezegd zou worden dat zij nog enigen van de oude inwoners onder hen lieten blijven, legde Saul het er op toe om hen geheel uit te roeien, en heeft daarom velen van hen gedood. Aldus wilde hij wijzer schijnen te zijn dan zijn voorgangers, de richteren, en ijveriger voor het openbare welzijn, en misschien bedoelde hij het als een blijk van zijn koninklijk kroonrecht en zijn macht als koning, om de besluiten van vorige regeringen te herroepen of te vernietigen, en de plechtigste verbonden nietig te verklaren. Het kan ook zijn dat hij door deze strengheid tegen de Gibeonieten zijn goedertierenheid jegens de Amalekieten goed heeft willen maken. Sommigen gissen dat hij de Gibeonieten heeft zoeken uit te roeien in dezelfde tijd dat hij de waarzeggers en de duivelskunstenaars uit het land heeft weggedaan, 1 Samuël 28:3, of misschien waren sommigen van hen zeer vroom, en zocht hij hen te verderven, toen hij de priesters, hun meesters, heeft gedood. Wat dit tot een zeer grote zonde maakte, was dat hij niet alleen onschuldig bloed vergoot, maar hiermede de plechtige eed schond, door welke de natie gehouden en verplicht was hen te beschermen Zie wat over Sauls huis verderf heeft gebracht er rustte bloedschuld op.
II. Wij zien voor deze zonde van Saul lang daarna het volk van Israël gekastijd met een zware hongersnood.
Merk op:
1. Zelfs in het land Israëls, dat vruchtbare land, en onder de regering van David, die glorierijke regering, was er een hongersnood niet buitengewoon zwaar want anders zou men er wel spoediger op gelet hebben en naar de oorzaak er van hebben gevraagd, maar er was grote droogte, en als gevolg daarvan schaarsheid van levensmiddelen, en dat wel gedurende drie achtereenvolgende jaren. Als de korenoogst het ene jaar faalt, dan wordt dit gewoonlijk in het volgende jaar vergoed, maar als hij gedurende drie achtereenvolgende jaren faalt, dan zal dit een zwaar oordeel zijn, en de man van wijsheid zal er Gods stem in horen, roepende tot het land om berouw te hebben over het misbruik maken van de overvloed.
2. David zocht het aangezicht des Heren vroeg de Here er naar. Hoewel hijzelf een profeet was, moest hij toch het orakel raadplegen, om naar de verordineerde wijze Gods wil te weten te komen. Als wij ons onder Gods oordelen bevinden, dan moeten wij naar de oorzaak van de twist vragen. Doe mij weten waarover Gij met mij twist. Het is vreemd, dat David het orakel niet eerder geraadpleegd heeft niet voor het derde jaar, maar misschien heeft hij niet eerder begrepen dat het een buitengewoon oordeel was voor de een of andere bijzondere zonde. Zelfs Godvruchtige mensen zijn dikwijls traag en nalatig in het vervullen van hun plicht. Wij blijven in dwaling en onwetendheid, omdat wij verzuimen om de Here te vragen.
3. God was gereed met Zijn antwoord, hoewel David langzaam was om te vragen: Het is om Saul. Gods oordelen zien dikwijls zeer ver terug, hetgeen ons verplicht om dit ook te doen als wij onder bestraffing zijn. Het betaamt ons niet er tegen op te komen, dat het volk lijdt om de zonde huns konings, misschien hebben zij er hem in geholpen, er hem toe aangezet, of dat dit geslacht lijdt om de zonde van het vorige geslacht, God bezoekt dikwijls de zonden van de vaderen aan de kinderen, en Zijn oordelen zijn een grote afgrond, Hij geeft geen rekenschap van Zijn daden. De tijd neemt de schuld van de zonde niet weg, en wij kunnen op het uitstel van de oordelen geen hoop op straffeloosheid bouwen. Er is geen wet van bepaling of verjaring in te roepen tegen de eisen Gods. "Nullum tempus occurrit Deo-God kan straffen wanneer Hij wil."
III. Er wordt wraak geoefend aan het huis van Saul, teneinde Gods toorn af te wenden van het land, dat nu lijdt om zijn zonde.
1. Door Goddelijke ingeving waarschijnlijk hiertoe geleid, liet David het aan de Gibeonieten zelf over om te zeggen welke vergoeding of voldoening hun gegeven kan worden voor het onrecht, dat hun aangedaan is, vers 3. Zij hadden gedurende vele jaren stilgezwegen, hadden geen beroep gedaan op David, het koninkrijk niet beroerd door hun klachten en eisen, maar eindelijk spreekt nu God voor hen, Ik ben als een man, die niet hoort-Gij zult verhoren Psalm 38:15, 16, en zij worden beloond voor hun geduld met deze eer, dat zij tot rechters aangesteld worden in hun eigen zaak en dat hun carteblanche wordt gegeven om er hun eisen op te schrijven. Wat gij zult zeggen, dat zal ik voor u doen, vers 4, opdat verzoening gedaan worde, en gij het erfdeel des Heren zegent, vers 3. Het is treurig voor een geslacht of een volk, als de gebeden van de onschuldig verdrukten er tegen opgaan tot God, en daarom zijn de onkosten van een rechtvaardige vergoeding wel besteed om de zegen te verkrijgen dergenen, die verloren gingen, Job 29:13. "Mijn knecht Job, die gij verongelijkt hebt, zal voor u bidden", zegt God, "en dan, maar niet eerder, zal Ik met u verzoend zijn." Diegenen verstaan zichzelf niet, die de gebeden van de armen en geminachten niet op prijs stellen.
2. Zij verlangen dat zeven personen uit Sauls nageslacht ter dood gebracht zullen worden, en David stond hun eis toe.
A. Zij verlangden geen zilver en goud, vers 4. Geld kan geen bloed vergoeden, zie Numeri 35:31-33. Het is de aloude wet, bloed roept om bloed, Genesis 9:6, en diegenen overschatten het geld en onderschatten het leven, die het bloed hunner familieleden verkopen voor vergankelijke dingen, zoals zilver en goud. De Gibeonieten hadden nu een goede gelegenheid om van hun dienstbaarheid omslagen te worden ter vergoeding van het hun aangedane onrecht, volgens de billijkheid van de wet, Exodus 21:26. "Wanneer iemand het oog zijns dienstknechts of het oog van zijn dienstmaagd slaat en het verderft, hij zal hem vrij laten gaan voor zijn oog." Maar zij drongen hier niet op aan, hoewel het verbond door de andere zijde verbroken was zal het van hun zijde toch niet worden verbroken. Zij waren Nethinim, gegeven aan God en het volk Israël, en zij willen de schijn niet aannemen van de dienst moede te zijn. B. Zij eisten geen ander leven dan van Sauls geslacht, hij had hun het onrecht gedaan, en daarom moeten zijn kinderen er voor boeten. Wij spreken de erfgenamen aan voor de schuld hunner ouders. De mensen mogen dit beginsel niet uitstrekken tot het leven, Deuteronomium 24. 16. Naar de gewone loop van het recht, moeten de kinderen niet gedood worden voor de vaders, maar dit geval van de Gibeonieten was geheel buitengewoon. God zelf had zich partij gesteld in de zaak, en heeft het ongetwijfeld de Gibeonieten in het hart gegeven om die eis te doen, want Hij erkende wat gedaan werd, keurde het goed, vers 14, en Zijn oordelen zijn niet onderworpen aan de regelen, waaraan der mensen oordeel onderworpen moet zijn. Laat ouders zich wachten voor zonde, inzonderheid voor de zonde van wreedheid en verdrukking, om der wille hunner arme kinderen, die er door de rechtvaardige hand van God voor kunnen lijden, als zij in hun graf zijn. Schuld en een vloek zijn een treurig erfdeel voor een geslacht. Het schijnt dat Sauls nakomelingen in zijn voetstappen hebben gewandeld, want het wordt een bloedhuis genoemd, vers 1, het was de geest, de aard van dit geslacht, en daarom wordt er terecht met hen afgerekend voor zijn zonde, zowel als voor hun eigen zonde.
C. Zij wilden het David niet opleggen om die straf aan hen te voltrekken. Gij zult voor ons niemand doden in Israël, maar wij zullen het zelf doen, wij zullen hen de Here ophangen, vers 6, zodat, indien er hardheid in is, zij er schuld van dragen, en niet David of zijn huis. Naar onze oude wet konden de bloedverwanten van een vermoorde, als er recht gesproken was tegen de moordenaar, de straf aan hem voltrekken.
D. Zij eisten dit niet uit boosaardigheid tegen Saul of zijn geslacht, (indien zij wraakzuchtig waren geweest, zij zouden lang tevoren dit voorstel gedaan hebben) maar uit liefde voor het volk van Israël, dat zij geplaagd zagen om het onrecht, dat hun aangedaan was. "Wij zullen hen de Here ophangen, vers 6, om aan Zijn gerechtigheid te voldoen, niet om onze wraakzucht te bevredigen, tot welzijn van het publiek, niet voor onze eer."
E. De aanwijzing van de personen lieten zij aan David over, die zorg droeg om Mefiboseth te beveiligen om Jonathans wil, opdat hij, het verbreken van de ene eed wrekende, niet zelf een andere eed zou breken, vers 7, maar hij leverde hun twee van Sauls zonen over, die hij had bij een bijwijf, en vijf van zijn kleinzonen, die zijn dochter Merab aan Adriël gebaard had, 1 Samuël 18:19, maar die door zijn dochter Michal opgevoed werden, vers 8. Nu was ook Sauls verraad gestraft, waarmee hij Merab aan Adriël had gegeven na haar aan David beloofd te hebben, met het doel hem te tergen en tot toorn te verwekken. "Het is gevaarlijk", zegt bisschop Hall hier, "om aan een van Gods getrouwen kwaad te doen: als hun zachtmoedigheid het gemakkelijk vergeven heeft, zal hun God het toch niet voorbijzien, maar strenge vergelding doen, al is het ook lang daarna."
F. De plaats, de tijd en de wijze van hun terdoodbrenging hebben alle bijgedragen tot de plechtigheid van hun opgeofferd worden aan Gods gerechtigheid.
a. Zij werden opgehangen als anathema's, onder een bijzonder teken van Gods misnoegen, want de wet heeft verklaard: "een opgehangene is Gode een vloek," Deuteronomium 21:23, Galaten 3:13. Christus, een vloek voor ons geworden zijnde, en stervende om te voldoen voor onze zonden en de toorn Gods af te wenden, is gehoorzaam geworden tot aan deze schandelijke dood. b. Zij werden opgehangen te Gibea Sauls, vers 6, om te tonen dat het voor zijn zonde was, dat zij stierven. Zij werden, als het ware, opgehangen voor hun eigen deur om de schuld van het huis Sauls te verzoenen, en zo heeft God het verderf van dat geslacht voleindigd voor het bloed van de priesters en hun gezin, dat nu ongetwijfeld in gedachtenis kwam voor God, Hij heeft het gezocht, Psalm 9:13. Maar alleen van het bloed van de Gibeonieten wordt melding gemaakt, omdat dit vergoten werd in schending van een heilige eed, die, hoewel lang tevoren gezworen, en hoewel hij door een list werd verkregen, en de belofte aan Kanaänieten gedaan was, toch nu zo streng gestraft wordt. Het verachten van de eed en het verbreken van het verbond zal gegeven worden op het hoofd van hen, die aldus Gods heilige naam ontheiligen, Ezechiël 17:18, 19. En aldus wilde God tonen dat bij Hem rijken en armen elkaar ontmoeten. Zelfs koninklijk bloed moet vergoten worden om het bloed van Gibeonieten te verzoenen, die toch slechts de vazallen waren van de vergadering.
c. Zij werden ter dood gebracht in de dagen des oogstes, in het begin des gerstenoogstes, vers 9, om te tonen dat zij aldus opgeofferd waren om de toorn van God af te wenden, door welke hun de oogstzegeningen gedurende enige jaren onthouden waren, en Zijn gunst te verkrijgen voor de tegenwoordige oogst. Zo is er geen ander middel om Gods toorn te stillen dan door ons bederf en onze lusten te doden. Tevergeefs verwachten wij barmhartigheid van God, zo wij geen gerechtigheid oefenen aan onze zonden. Over die strafoefeningen moet niet geklaagd worden als wreed zijnde, die noodzakelijk zijn geworden voor het algemene welzijn. Het is beter dat zeven leden van Sauls bloedhuis gehangen worden, dan dat geheel Israël door hongersnood wordt geteisterd.