1 Samuël 20:35-42.
1. Hier zien wij hoe Jonathan zijn belofte aan David, om hem bericht te geven van zijn bevinden, trouw vervult. Hij ging op de bepaalde tijd naar de plaats, in welke nabijheid hij wist dat David zich verborgen hield, vers 35, zond zijn jongen om de pijlen op te rapen, die hij zou schieten, vers 36, gaf David het noodlottige teken door een pijl voorbij de knaap te schieten, vers 37.
Is niet de pijl van u af en verder? David kende de betekenis van dat woord: van u af en verder, beter dan de knaap.
Jonathan zond de knaap weg, die niets wist van de zaak, en ziende dat er geen gevaar was van ontdekt te worden, waagde hij het nog een ogenblik met David te spreken, nadat hij hem gezegd had te vluchten om zijns levens wil.
2. Het uiterst droevige afscheid van deze twee vrienden, die, voorzoveel blijkt, elkaar nooit weer gezien hebben, behalve eenmaal steelsgewijze in het woud, Hoofdstuk 23:16.
a. David wendde zich tot Jonathan met de eerbied van een dienaar veeleer, dan met de vrijmoedigheid van een vriend, hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich driemaal, als iemand, die een diep besef heeft van zijn verplichting aan hem voor de goede diensten, die hij hem had bewezen.
b. Met de innigste liefde en hartelijkheid namen zij afscheid van elkaar onder kussen en tranen, zij weenden met elkaar totdat het David gans veel maakte, vers 41.
De scheiding van twee zulke getrouwe vrienden was voor beide even smartelijk, maar Davids toestand was het treurigst, want toen Jonathan terugkeerde naar zijn gezin en zijn vrienden, verliet David elk genot, zelfs het genot en de vertroosting van Gods heiligdom, en daarom is zijn smart nog groter dan die van Jonathan, of misschien was hij meer teerhartig van aard, en had hij sterkere gewaarwordingen, gevoelde hij dieper.
3. Zij wezen elkaar op het verbond van vriendschap, dat er tussen hen was, beide zich bij dit droevig afscheid hiermede vertroostende: "Wij in de naam des HEEREN gezworen hebben, voor onszelf en voor onze erfgenamen, dat wij elkaar trouw en vriendschap zullen bewijzen van geslacht tot geslecht."
Zo is, terwijl wij inwonende zijn in het lichaam en nog uitwonen van de Heere, dit onze vertroosting, dat Hij een eeuwig verbond met ons gemaakt heeft.