2 Samuël 21:10-14
I. Sauls zonen werden niet alleen gehangen, maar gehangen in ketenen, zodat hun dode lichamen openlijk tentoongesteld bleven totdat het oordeel zou ophouden door het zenden van regen op het land. Zij stierven als offers, en zo werden zij, in zekere zin, opgeofferd, niet terstond door vuur verteerd, maar langzamerhand door de lucht. Zij stierven als anathema's en door dit smadelijk gebruik werden zij voorgesteld als verfoeilijk, omdat ongerechtigheid op hen werd gelegd. Toen onze gezegende Heiland zonde voor ons werd gemaakt, is Hij een vloek voor ons geworden. Maar hoe zullen wij dit nu overeenbrengen met de wet, die uitdrukkelijk gebood om "het dode lichaam van gehangenen tenzelfden dage te begraven?" Deuteronomium 21:23. Een van de Joodse rabbijnen wenste dat deze passage uitgewist zou worden uit de geschiedenis, opdat de naam van God geheiligd zou worden, die hij denkt ontheiligd te zijn door Zijn aanneming van hetgeen een schending was van Zijn wet, maar dit was een geheel buitengewoon geval en viel niet onder deze wet, ja de reden zelf voor die wet is een reden voor deze uitzondering. Hij die aldus hangend gelaten wordt, is vervloekt, daarom moeten gewone misdadigers niet aldus behandeld worden, maar wel dezen, want zij waren opgeofferd, niet aan de gerechtigheid des volks, maar om de misdaad des volks, geen mindere misdaad dan schending van de openbare trouw, en ter bevrijding des volks van geen minder oordeel dan een algemene hongersnood. Aldus tot "uitvaagsel van de wereld gemaakt zijnde en aller afschrapsel, zijn zij een schouwspel geworden van de wereld," 1 Corinthiers 4:9, 13, o God dit alzo verordineerd, of tenminste toegelaten hebbende.
II. De dode lichamen worden bewaakt door Rizpa, de moeder van twee hunner, vers 10. Het was een grote beproeving voor haar in haar hoge ouderdom om haar twee zonen die, naar wij kunnen onderstellen, een troost voor haar geweest zijn, en haar waarschijnlijk ten steun zouden geweest zijn in haar afnemende jaren, op zo ontzettende wijze te zien afgesneden. Niemand weet welke smart nog voor hem weggelegd is. Zij mag hen niet op betamelijke wijze begraven zien, maar zij zorgt er voor dat zij behoorlijk worden bewaakt. Zij doet geen poging om het vonnis, dat over hen geveld is, teniet te doen, dat zij daar moeten blijven hangen totdat God regen zendt, zij steelt de lijken niet, noch voert ze weg met geweld, hoewel de wet Gods aangevoerd had kunnen worden ter harer verdediging, neen geduldig onderwerpt zij zich, slaat een tent op van zakkenlinnen in de nabijheid van de galgen, waar zij met haar dienaren en vrienden de dode lichamen beschermt tegen roofvogels en wilde dieren. Aldus:
1. Geeft zij, zoals rouwdragenden allicht doen doelloos toe aan haar smart. Als in zulke gevallen de droefheid al te zeer de overhand dreigt te krijgen, doet men beter met haar af te leiden en te matigen, dan er aan toe te geven. Waarom zouden wij ons aldus verharden in onze droefheid?
2. Legt zij getuigenis af van haar liefde. Aldus maakte zij de wereld bekend, dat haar zonen stierven, niet om hun eigen zonde, niet als weerspannige, moedwillige zonen, welker ogen de gehoorzaamheid van de moeder veracht hadden, indien dit het geval ware geweest, zij zou ze "door de raven hebben laten uitpikken en door de jonge arenden laten eten," Spreuken 30:17. Maar dat zij stierven om de zonde huns vaders en daarom kon door hun hard lot haar ziel niet van hen worden vervreemd. Of schoon zij moeten sterven, zullen zij toch beklaagd en betreurd worden.
III. Hun dode lichamen worden met het gebeente van Saul en Jonathan plechtig begraven in hun familiegraf. Wel verre dat David misnoegd was over hetgeen Rizpa gedaan had, werd hij zelf er door opgewekt om het huis van Saul te eren, en onder andere ook deze takken er van, en zo bleek het, dat het niet uit persoonlijke misnoegdheid was op dat geslacht of uit haat, dat hij hen overgeleverd had, en dat hij de dodelijke dag niet heeft begeerd, maar dat hij verplicht was geweest het te doen voor het openbare welzijn.
1. Hij besloot nu om de dode lichamen van Saul en Jonathan weg te doen nemen van de plaats, waar de mannen van Jabes in Gilead ze wel met eerbied, doch in stilte begraven hadden onder een boom, 1 Samuël 31:12, 13. Het schild van Saul was smadelijk weggeworpen, alsof hij niet met olie gezalfd was, maar de koninklijke as moet toch niet verloren zijn of vermengd worden met die van het gemeen. De menselijkheid gebiedt ons menselijke lichamen te eerbiedigen, inzonderheid de lichamen van de groten en Godvruchtigen, uit aanmerking beide van wat zij geweest zijn en van wat zij zullen worden.
2. Met deze begroef hij ook de lichamen van de gehangenen, want toen Gods toorn was afgewend, moesten zij niet langer beschouwd worden als een vloek, vers 13, 14. Toen er water op hen drupte van de hemel, vers 10 dat is: toen God regen zond om de aarde te bevochtigen, (hetgeen misschien niet vele dagen was nadat zij waren opgehangen) werden zij afgenomen, want toen bleek het "dat God den lande verbeden was," Als op aarde gerechtigheid gedaan wordt, dan houdt de wraak des hemels op. Door Christus, die aan een hout was gehangen en aldus een vloek voor ons is gemaakt om onze schuld te verzoenen (hoewel Hijzelf schuldeloos was), is God met ons bevredigd, en is Hij ons verbeden, en in Handelingen 13:29 wordt gezegd: "als zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven was, namen zij ten teken daarvan en van Gods aanneming er van, Hem af van het hout en legden Hem in het graf."