Jozua 9:1-2
Tot nu toe hadden de Kanaänieten verdedigenderwijs gehandeld, de Israëlieten waren de aanvallers op Jericho en Ai, maar nu houden de koningen van Kanaän tezamen raad om Israël aan te vallen, en met hun verenigde krijgsmachten een krachtige poging te doen om de voortgang hunner zegevierende wapenen te stuiten.
1. Het was vreemd dat zij dit niet reeds vroeger gedaan hadden. Zij hadden reeds sedert lang bericht ontvangen van hun nadering, Israëls voornemen en bedoelingen ten opzichte van Kanaän waren geen geheim, nu zou men verwacht hebben dat een verstandige zorg voor hun algemene veiligheid hen middelen zou hebben doen beramen, om hun de overtocht over de Jordaan te betwisten, die pas tegen hen te verdedigen, of hun tenminste een warme ontvangst te bereiden, zodra zij er over heen waren. Het was vreemd dat zij geen poging hebben gedaan om het beleg van Jericho te doen opbreken, of zich tenminste met de mannen van Ai te verenigen, toen zij hoorden dat deze aan Israël een nederlaag hadden toegebracht. Maar zij waren, hetzij door verwaandheid of door wanhoop verbazend verdwaasd en ten einde raad, velen weten niet wat tot hun vrede dient, omdat het verborgen is voor hun ogen.
2. Nog vreemder was het dat zij het nu deden. Nu de verovering van Jericho zo'n veelbetekenend bewijs had gegeven van Gods macht, en die van Ai van Israëls beleid, zou men gedacht hebben dat zij in hun beraadslaging tot het besluit waren gekomen, om niet met Israël te strijden, maar vrede met hen te sluiten, op de voordeligste voorwaarden, die zij konden verkrijgen. Dit zou hun wijsheid zijn geweest, Lukas 14:32, maar hun geest was verblind en hun hart verhard tot hun verderf.
Merk nu op:
a. Wat hen er nu eindelijk toe bracht om die beraadslaging te houden. Toen zij dit hoorden, niet slechts hoorden van de verovering van Jericho en Ai, maar ook van het verbond dat zij aangingen op de berg Ebal, waarvan wij onmiddellijk tevoren het bericht hadden, toen zij hoorden dat Jozua, alsof hij zich reeds volkomen meester achtte van het land, al zijn volk had verzameld en hun de wetten had voorgelezen, waarnaar zij geregeerd moeten worden, en hun beloften had ontvangen om zich aan die wetten te onderwerpen, toen bemerkten zij, dat de Israëlieten in volle ernst waren, en dachten zij, dat het nu hoog tijd voor hen was om hun krachten in te spannen tot verweer, en Israël zo mogelijk het land uit te drijven. De vrome handelingen van Gods volk vertoornen hun vijanden soms meer dan iets anders.
b. Hoe eenstemmig zij waren in hun besluit. Hoewel er vele kortingen waren van verschillende volken, Hethieten, Amorieten, Ferezieten enz, die ongetwijfeld verschillende belangen hadden en dikwijls met elkaar in strijd zijn geweest, besluiten zij toch nu, "nemine contradicente eenstemmig om" zich tegen Israël te verenigen. O dat Israël dit van de Kanaänieten wilden leren: bijzondere belangen op te offeren aan het algemene welzijn, en alle vijandschap onder elkaar af te leggen, ten einde van harte verenigd te zijn tegen de gemeenschappelijke vijanden van Gods koninkrijk onder de mensen!