2 Samuël 16:1-4
Wij hebben tevoren gelezen hoe vriendelijk David was voor Mefiboseth, de zoon van Jonathan, hoe hij zijn knecht Ziba belastte met het beheer van zijn goederen, terwijl hij hem zelf grootmoedig aan zijn eigen tafel onderhield Hoofdstuk 9:10. Die zaak was wel geregeld, maar het schijnt dat Ziba niet tevreden was om beheerder van die goederen te wezen, hij wil er de meester van zijn. Nu, denkt hij, is het de tijd om hiertoe te geraken, indien hij slechts een schenking van de kroon kan verkrijgen, of dan David of Absalom de overhand zullen behouden is hem volkomen gelijk, hij zal zijn prooi wel in veiligheid weten te brengen die hij hoopt te verkrijgen door in troebel water te vissen. Te dien einde:
1. Komt hij tot David met een ruim geschenk van levensmiddelen, die des te meer welkom waren, omdat zij op de goede tijd kwamen, vers 1, en hiermede bedoelde hij David voor zich te winnen, want "de gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht van de groten," Spreuken 18:16. Ja "waarheen het zich zal wenden, zal het wel gedijen," Spreuken 17:8. David leidde hieruit af dat Ziba een zeer bescheiden en edelmoedig man was, die hem genegen was, terwijl hij toch in dat alles niets anders dan zijn eigen voordeel op het oog had, namelijk Mefiboseths bezitting in eigendom te verkrijgen. Zal nu het vooruitzicht op voordeel in deze wereld de mensen milddadig maken voor de rijken, en zal dan het geloof aan een overvloedige beloning in de opstanding van de rechtvaardigen ons niet barmhartig maken jegens de armen? Lukas 14:14. Ziba toonde overleg in het geschenk dat hij aan David bracht, want het kon hem in zijn tegenwoordige nood zeer te stade komen vers 2.
Merk op: De wijn was bestemd voor de moeden in de woestijn, niet om door de koning te worden gedronken, of door de hovelingen, zij schijnen er gewoonlijk geen gebruik van te hebben gemaakt, maar hij moest een hartsterking wezen voor hen, die verloren gaan Spreuken 31:6. Gezegend zijt gij, o land, als uw vorsten wijn gebruiken tot versterking, zoals David, en niet tot dronkenschap, zoals Absalom Hoofdstuk 13:28. Zie Prediker 10:17. Wat Ziba nu ook moge bedoeld hebben met zijn geschenk, Gods voorzienigheid heeft het genadiglijk aan David gezonden tot zijn ondersteuning. God maakt gebruik van slechte mensen tot goede doeleinden voor Zijn volk, en zendt hun vlees door raven.
2. Daar hij nu door zijn geschenk Davids welwillendheid voor zich gewonnen heeft, is het volgende wat hij nu te doen heeft om zijn doel te bereiken, David in toorn te doen ontsteken tegen Mefiboseth, hetgeen hij doet door een valse beschuldiging, daar hij hem voorstelt als een ondankbare, die van de tegenwoordige troebelen gebruik wil maken, om de kroon, die David en zijn zoon elkaar betwisten, op zijn eigen hoofd te doen plaatsen. David vraagt naar hem als naar een lid van zijn gezin, hetgeen aan Ziba de gelegenheid geeft om hem dit leugenachtig verhaal te doen, vers 3. Welk een ontzettende schade lijden meesters dikwijls door de liegende tong hunner dienstknechten! David kende Mefiboseth niet als een eerzuchtig man, maar als iemand, die wel tevreden was met zijn plaats en positie, en die hem en zijn regering welgezind was, hij kon toch ook de zwakheid niet hebben van te denken, dat hij met zijn kreupele voeten de ladder van de bevordering zou kunnen beklimmen, toch schenkt hij geloof aan de laster, en zonder verder onderzoek of nadenken, houdt hij Mefiboseth schuldig aan verraad, verklaart hij zijn bezittingen verbeurd en schenkt ze aan Ziba: Zie, het zal uwe zijn alles wat Mefiboseth heeft, vers 4, een roekeloos oordeel, waarover hij zich later geschaamd heeft, toen de waarheid aan het licht kwam Hoofdstuk 19:29. Vorsten kunnen het niet heipen, maar soms zijn zij (zoals onze wet het noemt) bedrogen in hun schenkingen, maar zij behoorden alle middelen aan te wenden om de waarheid te ontdekken, en te waken tegen boosaardige, listige mensen, die hen willen bedriegen, zoals Ziba David bedrogen heeft die, door zijn listen zijn doel bereikt hebbende, juichte over de lichtgelovigheid des konings, en zichzelf gelukwenste met zijn succes, heenging met de vleiende plichtpleging aan de koning, dat hij zijn gunst meer waardeerde dan Mefiboseths bezitting: "Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer koning, en ik heb genoeg." Grote mannen moeten altijd wantrouwen koesteren tegen vleiers, en gedenken dat de natuur hun twee oren heeft gegeven, opdat zij beide zijden zullen horen.