2 Samuël 19:24-30
De dag van Davids wederkomst is een dag des gedenkens, een dag van rekenschap geven waarop hetgeen op zijn vlucht is voorgevallen in de herinnering teruggeroepen werd, en zo komt, onder anderen, na Simeï's zaak ook die van Mefiboseth om onderzocht te worden, en hijzelf brengt haar ter tafel.
1. Hij ging met de menigte de koning tegemoet, vers 24, en als blijk van de oprechtheid van zijn vreugde over `s konings wederkomst, wordt ons hier gezegd hoe oprecht hij over des konings ballingschap rouw heeft gedragen. Gedurende die treurige tijd, dat Israëls heerlijkheid was geweken, bleef Mefiboseth in een toestand van rouw. Hij schoor zich niet, deed geen schoon linnen aan, maar verwaarloosde zich als iemand, die zich geheel overgeeft aan droefheid over de beproeving des konings en het ongeluk van het koninkrijk. In tijden van openbare rampen moeten wij ons beperken in de genietingen van de zinnen. Er zijn tijden wanneer God roept tot wenen, en wij moeten die roepstem volgen.
2. Toen de koning te Jeruzalem kwam, verscheen hij voor hem, want eerder had hij er geen gelegenheid toe, vers 25. En toen de koning hem vroeg waarom hij, een lid zijnde van zijn gezin, achtergebleven was, hem niet had vergezeld in zijn ballingschap, legde hij de koning de zaak volkomen bloot.
a. Hij klaagt over Ziba, zijn knecht, die zijn vriend had moeten zijn, maar op tweeërlei wijze zijn vijand geweest is: hij had hem verhinderd om met de koning te gaan door de ezel voor zichzelf te nemen die hij voor zijn meester naar diens bevel had moeten zadelen en gereed maken, vers 26, laaghartig zijn eigen voordeel doende met zijn kreupelheid en hulpeloosheid, en ten tweede, hij had hem bij David beschuldigd het plan te hebben om zich meester te maken van de regering, vers 27. Hoeveel kwaad kunnen boze dienstknechten niet veroorzaken aan de beste meesters!
b. Hij erkent dankbaar de grote vriendelijkheid des konings voor hem, toen hij en geheel het huis zijns vaders in des konings macht waren, vers 28. Toen hij rechtvaardig behandeld had kunnen worden als rebel, werd hij behandeld als een vriend, als een kind: gij hebt uw knecht gezet onder degenen, die aan uw tafel eten. Dit toont aan dat Ziba's beschuldiging onwaarschijnlijk was, immers kon Mefiboseth zo dwaas wezen naar hoger te streven, als hij het toch zo goed en aangenaam had? En kon hij zo onoprecht wezen om kwaad te bedoelen tegen David, van wiens grote vriendelijkheid hij zich zo wel bewust was?
c. Hij schikt zich ten enenmale naar des konings welbehagen: doe wat goed is in uw ogen met mij en mijn bezitting, ik verlaat mij op des konings wijsheid, en zijn gave om te kunnen onderscheiden tussen waarheid en leugen, mijn heer de koning is als een engel Gods, hij maakt generlei aanspraak op eigen verdienste, ik heb zoveel vriendelijkheid ontvangen, zoveel meer dan ik verdien, wat heb ik dan meer voor gerechtigheid en meer te roepen tot de koning? Waarom zou ik, die reeds zo'n last geweest ben voor de koning, hem nog verder lastig vallen met mijn klachten? Waarom zou ik, die met zoveel goedheid behandeld ben geworden, nu iets dat mij aangedaan wordt hard vinden?" Wij zijn allen lieden des doods voor God, maar Hij heeft ons niet slechts gespaard, maar ons doen aanzitten aan Zijn tafel. Hoe weinig reden hebben wij om te klagen over enigerlei moeilijkheid, die wij ondervinden, en hoeveel reden om wat God doet wel gedaan te vinden. 3. Hierop herroept David de verbeurdverklaring van Mefiboseths bezitting, bedrogen zijnde in zijn schenking, herroept hij haar, en bevestigt er de eerste beschikking van: Ik heb gezegd: gij en Ziba deelt het land, vers 29, dat is: "Laat het wezen, zoals ik het eerst bevolen heb Hoofdstuk 9:10, de bezitting is nog uw eigendom, maar Ziba zal het land beheren en bebouwen en er u de pacht van betalen." Aldus is Mefiboseth waar hij geweest is, er is geen kwaad gedaan, maar Ziba blijft ongestraft voor zijn leugenachtige, boosaardige aanklacht tegen zijn meester. David heeft hem òf te veel gevreesd, òf hem te veel bemind om recht aan hem te doen volgens de wet in Deuteronomium 19:18 19, en hij was in de stemming van vergevingsgezindheid, en besloot dat iedereen gerust en tevreden zal wezen.
4. Alle zorg van Mefiboseth voor zijn bezitting wordt verzwolgen in zijn blijdschap over de terugkeer des konings, vers 30. "Hij neme het ook geheel weg, de tegenwoordigheid en de gunst des konings zullen mij alles vergoeden." Een goed en Godvruchtig man kan weltevreden zijn eigen verlies dragen en zijn teleurstellingen, zo hij vrede ziet over Israël en de troon van de Zone Davids verhoogd en bevestigd. Ziba neme het alles, zo David vrede heeft.