2 Samuël 9:9-13
Hier is de zaak ten opzichte van Mefiboseth in orde gebracht en vastgesteld.
1. De schenking van zijns vaders bezitting is hem bevestigd, en Ziba wordt er tot getuige van geroepen, vers 9, en Saul scheen een zeer goede bezitting gehad te hebben, want zijn vader was een man, geweldig van vermogen, 1 Samuël 9:1, en hij had akkers en wijngaarden om te geven, 1 Samuël 22:7. Maar hoe groot die bezitting ook zij, Mefiboseth is er nu heer en meester van.
2. Het bestuur over die bezitting wordt opgedragen aan Ziba, die haar kende, er het beste gebruik van kon maken, zodat zij aan zijn meester het meeste voordeel opleverde, en daar hij zijns vaders dienaar was geweest, kon men vertrouwen in hem stellen, en daar hij een talrijk gezin had van zonen en dienstknechten, had hij genoeg handen, om voor het werk gebruikt te worden, vers 10. Aldus komt Mefiboseth in goeden doen, daar hij een goede bezitting heeft, zonder veel zorg, goed op weg om rijk te worden, daar hij veel inkomsten en weinig uitgaven heeft, hijzelf aan Davids tafel onderhouden wordende. Maar hij moet behalve zijn eigen brood, voedsel hebben voor zijn zoon en zijn dienstknechten, Ziba's zonen en dienstknechten moeten hun deel hebben van de inkomsten, om welke reden misschien hun aantal hier is opgegeven, vijftien zonen en twintig knechten, die bijna alles nodig zullen hebben wat er is, want "waar het goed vermenigvuldigt daar vermenigvuldigen ook die het eten, wat nuttigheid hebben dan de bezitters er van dan het gezicht hunner ogen?" Prediker 5:10. Allen die in het huis van Ziba woonden, waren Mefiboseths knechten, vers 12, dat is: allen leefden zij van hem, en maakten een prooi van zijn bezitting onder voorwendsel van hem te dienen. De Joden hebben een gezegde: "Wie knechten vermenigvuldigt, vermenigvuldigt dieven". Ziba is nu tevreden, want hij bemint de rijkdom en zal overvloed hebben. "Naar alles wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen, vers 11, laat de bezitting maar aan mij over, en aangaande Mefiboseth", ( zij schijnen Ziba's woorden te zijn, "zo het de koning behaagt behoeft hij geen last te zijn voor het hof, hij zal eten aan mijn tafel, en zo goed behandeld en onthaald worden als een van des konings zonen". Maar David wil hem aan zijn eigen tafel hebben, en Mefiboseth is even ingenomen met zijn plaats als Ziba met zijn post. Hoe ontrouw Ziba hem geweest is, zullen wij later zien, Hoofdstuk 16:3.
Omdat nu David een type was van Christus, zijn Here en zijn Zoon, zijn wortel en zijn geslacht, zo laat zijn weldadigheid aan Mefiboseth dienen om de weldadigheid en liefde voor te stellen van God, onze Zaligmaker, voor de gevallen mens, jegens wie Hij echter geen verplichting had, zoals David aan Jonathan. De mens was schuldig bevonden aan rebellie tegen God, en lag, evenals Sauls huis, onder een vonnis om door Hem verworpen te worden, hij was niet slechts verarmd en tot een lage staat gekomen, maar hij was kreupel en geslagen door zijn val, de Zone Gods doet onderzoek naar dit ontaard, vervallen geslacht, dat naar Hem niet gevraagd heeft, komt om hen te zoeken en zalig te maken. Aan hen, die zich voor Hem verootmoedigen, en zich aan Hem overgeven, geeft Hij hun verbeurd erfdeel terug, geeft hij hun recht op een beter paradijs, dan dat hetwelk Adam had verloren, en brengt hen in gemeenschap met zich, zet hen met Zijn kinderen aan Zijn tafel, en spijzigt hen met de lekkernijen des hemels. Here, wat is de mens, dat Gij hem groot acht!