Jakobus 2:8-13
Nadat de apostel de zonde veroordeeld heeft van hen, die een onwaardig aannemen der personen plegen, en aangevoerd heeft wat voldoende moet zijn om hen te overtuigen van de grootheid van dit kwaad, gaat hij er nu toe over mede te delen hoe die zaak kan hersteld worden. Dat is het werk der Evangeliebediening, niet alleen te berispen en te waarschuwen, maar ook te onderwijzen en te besturen, Colossenzen 1:28. Vermanende een iegelijk mens en lerende een iegelijk mens.
I. Wij hebben de wet, die ons in al onze gedragingen jegens de mensen in het algemeen leiden moet. Indien gij dan de koninklijke wet vervult, naar de Schrift: Gij zult uwen naasten liefhebben als uzelven, zo doet gij wel, vers 8. Indien iemand mocht denken dat Jakobus gepleit had voor de armen om daardoor verachting over de rijken uit te gieten, dan moet hij nu weten dat het doel niet was onvoegzaam gedrag jegens iemand aan te moedigen, zij moeten de rijkeren niet haten of ruw behandelen, evenmin als zij de armen verachten mogen. Maar de Schrift leert ons al onze naasten lief te hebben, ze mogen rijk of arm zijn, lief te hebben als ons zelven, en zo wij voortdurend dezen regel in het oog houden, zullen wij weldoen.
1. De regel voor de Christenen is te wandelen zoals de Schrift voorschrijft: naar de Schrift. Niet grote mannen moeten ons leiden, geen wereldse weelde, geen verkeerde leringen onder de belijders zelven, maar de schriften der waarheid.
2. De Schrift geeft ons dit als wet, onze naasten lief te hebben als ons zelven, dat blijft altijd van volle kracht en is zelfs door Christus eerder krachtiger en luidender dan minder belangrijk voor ons gemaakt.
3. Deze wet is een koninklijke wet, zij is gegeven door den Koning der koningen. Haar eigen waarde en waardigheid eisen dat ze door ons zal geëerbiedigd worden, en de staat waarin alle Christenen nu verkeren, die een staat van vrijheid en niet van gebondenheid of overheersing is, maakt deze wet, waarnaar wij ons gedrag jegens elkaar te regelen hebben, tot een koninklijke wet.
4. Het voorgeven dat men deze koninklijke wet in acht neemt, terwijl zij in partijdigheid wordt uitgelegd, zal niemand verontschuldigen bij het plegen van onrecht. Het schijnt hier dat sommigen geneigd waren de rijken te vleien en partijdig jegens hen te zijn, ten einde, wanneer zij in dergelijke omstandigheden kwamen, dezelfde handelwijze van hen te kunnen verwachten. Wellicht beweerden zij dat het tonen van buitengewonen eerbied voor hen, die God in Zijne voorzienigheid door rang en staat in de wereld boven anderen verheven had, niet meer dan recht was. De apostel stemt toe dat zij wat de tweede tafel der wet betreft, ere moesten geven degenen, dien zij ere schuldig waren, maar dat zou als een fraai voorwendsel hun zonden niet bedekken, wanneer zij onrechtvaardig personen aannamen, en daar aan stonden zij schuldig.
II. Deze algemene wet moet beschouwd worden in verband met een bijzondere wet: Indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders, vers 9. Niettegenstaande de voornaamste wet, en ofschoon gij eerbied betonen wilt aan hen, die over u moeten handelen wanneer gij in gelijke omstandigheden zijt, zal dat u niet verontschuldigen wanneer gij de gunsten of de tucht der gemeente uitdeelt naar der mensen uitwendigen toestand. Ge hebt hier te letten op een andere wet, welke dezelfde God, die de ene gegeven heeft, ook stelde, en door die andere wet zult gij volkomen overtuigd worden van de zonde, waarvan ik u beschuldig. Deze wet vinden wij in Leviticus 19:15 :Gij zult geen onrecht doen in het gericht, gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken, in gerechtigheid zult gij uwen naasten richten. Ja dezelfde koninklijke wet, rechtvaardig uitgelegd, moet dienen om u te overtuigen, omdat zij u leert u evengoed in de plaats van den armen als in die van den rijken te stellen, en dus gelijkelijk te handelen jegens den een als jegens den ander.
III. Nu gaat hij voort met aan te tonen de uitgestrektheid van de wet en hoever wij haar gehoorzaamheid schuldig zijn. Zij moeten de koninklijke wet vervullen, voor het ene deel evenveel achting hebben als voor de andere, anders zou de wet hun niet baten, wanneer zij haar aanvoerden als reden voor een hunner bijzondere daden. Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle, vers 10. Dit kan beschouwd worden:
1. Met betrekking van het geval, dat Jakobus behandeld had. Bepleit gij uw aannemen van den rijken, daarmee dat gij uw naasten liefhebt als uzelven? Waarom toont ge dan niet evenveel en even- verschuldigde achting voor den armen, omdat gij uw naasten liefhebt als uzelven? Anders zal immers uw overtreding van een deel der wet uw overig onderhouden tenietdoen? Wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, vrijwillig, met instemming, voortdurend een punt overtreden, en zich dan daarmee verontschuldigen dat hij de overige bepalingen naleeft, hij zal schuldig zijn aan alle, dat is: hij beloopt dezelfde straf door de uitspraak der wet, alsof hij al de andere voorschriften evenzo overtreden had. Niet alle zonden staan gelijk, maar alle verwekken gelijkelijk den toorn van den Wetgever en tasten Zijn gezag aan, en brengen dus de straf met zich, die op het overtreden van die wet gesteld is. Dit toont ons hoe dwaas het is te menen, dat onze goede daden verzoening voor onze slechte daden kunnen aanbrengen, en dringt ons om naar andere verzoening uit te zien.
2. Dit wordt nader toegelicht door het stellen van een geval, geheel verschillend van het vorengenoemde, vers 11 :Want die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden. Iemand kan wellicht zeer gestreng zijn op het punt van overspel en dergelijke bevlekkingen des vlezes, maar minder gereed om doodslag te veroordelen, of hetgeen strekt om de gezondheid te verwoesten, de harten te breken, de levens te vernielen. Een ander heeft dodelijken afkeer van moord, maar denkt lichter over overspel. Maar hij, die op het gezag van den Wetgever let meer dan op den inhoud van het gebod, ziet voor de ene overtreding dezelfde reden van veroordeling als voor de andere. Gehoorzaamheid is dan aangenaam wanneer alles gedaan wordt met het oog op Gods wil, en ongehoorzaamheid is veroordelenswaard, in welke omstandigheden ook, ze is een belediging van Gods gezag. En daarom, indien wij op een punt overtreden, beledigen wij het gezag van Hem, die de gehele wet gaf en zijn daardoor schuldig aan al de geboden. Wie dus bij de wet van vroeger blijft, staat veroordeeld, want vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet om dat te doen, Galaten 3:10.
IV. Jakobus zegt den Christenen dat zij zich zelven meer bepaald moeten laten leiden en regeren door de wet van Christus. Spreekt alzo en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden, vers 12. Hieruit leren wij niet alleen rechtvaardig en onpartijdig, maar zeer medelijdend en barmhartig voor de armen te zijn, en het ontslaat ons van alle onbetamelijk en ongewettigd ontzag voor de rijken. Merk hier op: 1. Het Evangelie wordt een wet genoemd. Het heeft al de vereisten van een wet: voorschriften met beloningen en straffen, het schrijft plicht voor zowel als het vertroosting brengt. Christus is koning om ons te regeren, zowel als profeet om ons te onderwijzen en priester om voor ons te offeren en tussen te treden. Wij staan onder de wet van Christus.
2. Het is een wet der vrijheid. Wij hebben geen reden om er ons over te beklagen als over een juk of last, want de dienst van God, volgens het Evangelie, is volkomen vrijheid. Het zet ons in vrijheid van alle slaafse ontzag voor de personen en dingen dezer wereld.
3. Wij moeten allen door die wet der vrijheid geoordeeld worden. Des mensen eeuwige bestemming zal bepaald worden volgens het Evangelie, dat is het boek, hetwelk geopend zal worden, wanneer wij voor den rechterstoel staan, er zal geen ontkomen zijn voor hen, die het Evangelie veroordeelt, en er zal geen beschuldiging gelden tegen hen, die het rechtvaardigt.
4. Wij behoren dus zo te spreken en te handelen als betaamt aan hen, die binnenkort door deze wet der vrijheid zullen geoordeeld worden, dat is: wij moeten naar de bepalingen van het Evangelie zoeken, ernst maken met de Evangelische plichten, een Evangelische gemoedsgesteldheid hebben, een Evangelischen wandel leiden, want naar dien regel zullen wij geoordeeld worden.
5. De overweging, dat wij door het Evangelie zullen geoordeeld worden, moet ons meer bepaald aansporen om barmhartig jegens de armen te zijn, vers 13. Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over degenen, die gene barmhartigheid gedaan heeft, en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. Merk hier op:
A. Het vonnis, dat over moedwillige zondaren zal geveld worden, zal ten slotte zijn een oordeel zonder barmhartigheid, daar zal geen mengsel van zachtheid in hun beker van toorn en verschrikking zijn, zij moeten den droesem drinken.
B. Zij, die geen barmhartigheid bewijzen, zullen in den groten dag geen barmhartigheid vinden. Maar aan de andere zijde:
C. Daar zullen er zijn, die voorbeelden van de zegepraal der barmhartigheid worden, in wie de barmhartigheid roemt tegen het oordeel, alle mensenkinderen zullen in den dag der dagen vaten des toorns of vaten der barmhartigheid zijn. Allen mogen dus wel bedenken tot welke zij zullen behoren, en laat ons in gedachten houden: Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.