13. Ik kan doen alle dingen door Christus, die mij kracht geeft (
2 Corinthiërs 12:9 Efeze 6:10.
1 Timotheus 1:12).
De getuigenis, die Paulus zo-even over zichzelf heeft uitgesproken, kon voorkomen als zucht om te roemen. Zie hoezeer hij terugtreedt en zegt: het is niet mijn deugd, maar dengenen, die mij daartoe kracht heeft gegeven. Hoe komt het, dat mij vaak iets gerings ter neer slaat en vaak iets groots de moed niet beneemt? Zodra ik mij van Christus afkeer, kan alles mij omverwerpen, zodra ik met Christus ben, kan ik tegen allen overstaan.
Is het geen grootspraak? Het valt gemakkelijk zulke dingen te zeggen, zulke dingen van zichzelf te denken en terwijl men in een bepaalde, niet al te moeilijke toestand verkeert, zich tot alles in staat te voelen. Ik kan doen dingen. Alle dingen is zoveel! Er zijn vele dingen, er zijn toestanden, er zijn omstandigheden, zo bitter voor het hart, zo pijnlijk voor het vlees. En als het er op aankomt, als de vernedering, de honger, het gebrek, waartegen men zich opgewassen waande, daar zijn, ziet dan is het de vraag, of men nog de moed en de vrijmoedigheid voelen zal, die eenmaal, misschien vele keer uitgesproken woorden te herhalen. Zo is het. Beproevende omstandigheden, beproevend zulke woorden. Maar in de mond van een Paulus kunnen zij de proef doorstaan. In zijn leven, dat bekend is en zijn zielsstemming, die zich onder alles gelijk blijft, worden zij niet als grootspraak, maar als duidelijke, zuivere waarheid openbaar.
Wat wij in Paulus terecht benijden was uit Paulus niet, het was gegeven goed. Het was door Christus, die gaf hem deze kracht. Ik kan doen alle dingen, zegt hij, door Christus, die mij kracht geeft; letterlijk door de mij kracht gevende Christus. En als hij er dit niet had bijgevoegd, zijn woord was een grootspraak geweest een snorkerij, zoals wereldse mensen, die hun hoogmoed, hun ongevoeligheid, of hun lichtzinnigheid voor kracht aanzien, zeer vaak in de mond voeren, maar die wij van geen ootmoedig en waarheidlievend discipel van Jezus verwachten kunnen. Wat de Farizeeër, die de gekruisigde Nazarener in Zijn gemeente vervolgde, in die dagen geroemd moge hebben, de aan zichzelf ontdekte zondaar roemt niet dan in Hem. Maar in Hem roemt hij, omdat hij uit Zijn volheid genade voor genade ontvangt. Jezus Christus geeft hem kracht, waar Hij die kracht van hem eist. Als aan deze Paulus een allerbelangrijkste roeping is opgedragen, zij is hem opgedragen door Christus. Als Zijn leven een aaneenschakeling is van arbeid, zorg, beproeving, moeite, lijden, doodsgevaren, Christus heeft het zo beschikt. Het is door diens bestelling, dat hij op het ogenblik is een gezant in een keten en het gevaar, dat boven zijn hoofd zweeft, is een bloedige dood van beulshanden te ondergaan. Christus wil dat Paulus al deze dingen zal kunnen doen; en te midden van al deze dingen, jagen naar de prijs van de roeping van God, die van boven is in Hem; grijpend naar hetgeen, waartoe hij ook gegrepen is. Hij wil dat deze Paulus arbeidt als een Christen, lijdt als een Christen, sterft als een Christen, zijn Heer groot maakt, zowel in de dood als in het leven; en Hij weet dat deze Paulus zonder Hem niets doen kan. Zou Hij dan niet bereid Zijn hem de kracht te geven, die hij nodig heeft? Zeker. Maar hetzelfde weet Hij ook van allen; zo kunnen dan ook allen overtuigd zijn, dat Hij evenzeer bereid is hun de kracht te schenken, de nodige kracht, de voldoende kracht tot de dingen, waartoe Hij hen roept, tot de dingen, waartoe Hij hen brengt, tot de dingen, die Hij van hen eist - ja tot die allen. Christus gaf Paulus kracht. Zou Hij niet? Zijn eigen eer was ermee gemoeid. Wat zou de heidense wereld gezegd hebben van een bezwijkende Paulus? Van een Paulus, de wereld vervullend met de prediking van een Heer, die de troost, de wijsheid, de hoop en de kracht van de Zijnen is, maar zelf in voorspoed niet wijs, in tegenspoed niet groot, in deugd niet voorbeeldig en in het aangezicht van de dood zonder blijkbare heldenmoed was? Van een Paulus heden groot, morgen klein, naardat de omstandigheden hem maakten en afhankelijk van zijn luim, van zijn gestel, van zijn doorn in het vlees, van overvloed en vernedering? Voorwaar zo'n dienstknecht was al te slecht een aanbeveling van zijn Meester; zo'n Paulus was geen ere voor Christus geweest. Dit moest hij zijn en niet slechts, ofschoon daarom zeker in zo uitnemende mate, niet slechts omdat hij Hem was een uitverkoren vat om Zijn naam te dragen, voor volken en koningen en voor de kinderen van Israël, maar reeds omdat hij een belijder was van Zijn naam en naar Zijn naam zich noemde. Wat ons betreft, wij zijn geen Paulussen, wij hebben hun hoge roeping niet; maar als de wereld ons kent als degenen, die op Christus onze hoop stellen, er is die Christus aan gelegen, dat Hij ons altijd ziet als degenen, die in Christus hun kracht vinden - en tot alle dingen gaf Christus Paulus kracht. Paulus verwachtte het van Zijn liefde, die Zich over de arme, blinde, tegen Hem woedende zondaar erbarmd had, die Zich aan hem geopenbaard had als ook voor zijn zonden overgeleverd in de dood, als ook tot zijn rechtvaardigmaking opgestaan uit de dood en als levende om ook voor hem te bidden. Zou die hem niet gadeslaan, niet nagaan, niet ondersteunen, niet sterken op al zijn wegen, al zijn beproevingen en in iedere strijd niet behouden door Zijn leven, dat Hij gekocht heeft door Zijn bloed. Wat zou hem scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? Nee, In dit alles zou Hij, die hem had liefgehad, hem meer dan overwinnaar maken en Zijn onuitputtelijke liefde op steeds nieuwe manier betonen! Verdrukt mocht hij worden, benauwd werd hij niet; twijfelmoedig, maar niet mismoedig; vervolgd maar niet daarin verlaten; neergeworpen maar niet verdorven. Hoe zou de getrouwe liefde dat gedogen, die hem van dood en verdoemenis gered, die hem voor haar hemel bestemd had! Zeker, zodanig is de getrouwe liefde van een Heiland, die zo machtig is als getrouw. Zij is onuitputtelijk en blijft Zichzelf gelijk. En die voor de Zijnen alles gedaan en alles geleden heeft, wat voor hun verzoening, wat voor hun eeuwige behoudenis nodig was, wil ook geven al wat tot hun heiligmaking, al wat tot hun ondersteuning en tot hun bemoediging op elke weg nodig blijkt: geloof, geduld, wijsheid, moed, kracht tot alle dingen.
Veiligheid bij God in Christus. Ja, mijn ziel, zing vrolijk tot eer van God, uw sterkte, uw licht in duisternis, uw schuilplaats in gevaren! Denk eens door! Bereken uw zaligheid! Nooit kan ik gereder zijn om licht en hulp en zaligheid te vragen, dan Christus is om mij die te geven. En dit, dit is het welbehagen van de Vader, die mij door de hand van de Middelaar bedelen wil. Mijn Verlosser wacht altoos om mij genadig te zijn. Zijn goedwilligheid is altoos evenredig aan Zijn rijkdom. Te geven, aan mij te geven is Zijn bestemming. Zijn begunstigde bezigheid, Zijn vermaak, Zijn hemel! Ik erken Hem, ik eer Hem, naarmate ik vaak kom en ruim in het vragen ben en ten tijde van gevaar snel het noodgeschrei tot Hem opzend. Milde handen, vriendelijke ogen! Hij geeft graag, edelmoedig, zonder verwijt! Een rijke moge tot een bedelaar zeggen: Hoe, bent u daar al weer? Ik heb u gisteren nog gegeven; nimmer, nooit heb ik zo'n verwijt gekregen, wanneer ik de Middelaarstroon naderde. O mijn ziel! Beschouw Jezus als uw barmhartige Hogepriester, die, zoals Hij in alles, de zonden uitgenomen, verzocht is, zo juist geschikt is om medelijden te hebben met hen, die verzocht worden. Zo'n verlosser is de waarborg van onze veiligheid te midden van al uw verzoekingen, van al uw gevaren. Zijn voorbidding in de hemel en Zijn troon in uw hart zijn voor u als Jachin en Boas. Zijn eer vordert uw veiligheid! En al Gods volmaaktheden, opgeluisterd in uw Verlossers kruis, bespreken ze u met eenstemmige ijver! De genade van God in Christus, zoals zij tot het minste nodig is, zo is zij tot het allerzwaarste voldoende. Dierbare waarheid! Steun voor mijn hart! Waarborg mijn zaligheid! Kan ik zonder Christus niets, met Hem kan ik alles. Zo moet ik waken tegen twee misvattingen: iets te ondernemen buiten Hem en in enige zaak zijn kunnen doen te mistrouwen. Het een en ander zou een aanmerkelijke dwaling zijn en een kenbaar ongeloof. Zegt Jezus: zonder Mij kunt u niets doen, dan is het kenbaar ongeloof iets te ondernemen voor eigen rekening, ook dan, wanneer de hebbelijke genade tot een aanmerkelijke trap van levendigheid is opgevoerd. Maar ook roept Christus: Mijn genade is u genoeg, dan is het een blijkbaar ongeloof, wantrouwend op te zien tegen posten, gevaren, plichten, verloocheningen, kruis, beproevingen, waartoe men geroepen wordt. Ik moet Mijzelf altoos, maar Christus nooit wantrouwen. O, mijn ziel! Bepeins de nadruk van dat woord, dat alles afdoet: Christus' genade is u genoeg. Bezie in dat licht uw tegenwoordige en toekomstige gevaren en verzoekingen en geloof, dat, wanneer Christus in de toediening van dat onschatbaar woord u veiligheid bespreekt voor altoos, u daaraan oneindig meer heeft dan aan een sterkbegeerde wegneming van enige bijzondere nood en denk dat door! Zo was het geval van die apostel, die dat aanminnig woord allereerst hoorde uit van zijn Meesters mond. Een zware beproeving drukte hem, in de nood riep hij om ontheffing, het antwoord, dat hij kreeg, was ja een zekere weigering, maar tevens een geven van veel meer dan hij gevraagd had; nu is Paulus voor altoos veilig, al verdubbelden de aanvallen van Satans engelen; Jezus' genade is voor Paulus genoeg en Jezus' woord een waarborg van veiligheid zonder einde en zonder tussenpoos. En u, mijn ziel wees dan in de gemakkelijkste plichten en in de kleinste beproevingen zo afhankelijk, als in de zwaarste; en, bij omkering, wees zo vertrouwelijk in het allerzwaarste als in het allerheiligste. Verwacht niets van uzelf, alles van uw Verlosser. Zo woont men in een rotssteen van de heiligheid. Vergeet nooit de genade; zoals zij nodig is, tot het minste, dan is zij tot alles voldoende. Zo is er veiligheid bij God in Christus! Veiligheid bij God in Christus te midden van alle de gevaren, die er zijn of immer komen kunnen! Zo juich ik in de rotssteen, onder de schaduw van die vleugels zing ik vrolijk! Dus gesterkt, zal ik liederen in kerkers, hallels in stormen zingen! Zo heb ik altijd goede moed! Van de hoogte, waarop ik thans verkeer, bezie ik al mijn vijanden zonder vrees, al het machteloos gewoel van helse en aardse machten, al de gevaren! God, God is voor mij en wie, wie zal tegen Mij zijn! Uit die woning, waar ik thans verkeer, bezie ik met bedaardheid al de woelingen, al de verwarringen, in de wereld en in mijn vaderland. Met bedaardheid hoor ik de donders, het rumoer van de volken, al wat er omgaat. De Heere is goed. Hij is ten sterkte in de dag van de benauwdheid en Hij kent hen, die op hem vertrouwen. Nu wacht ik, in Gods gemoedigd, alles af. Ook dan, wanneer de vijgeboom niet bloeien zal en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, wanneer alles ontzinken, alles bezwijken zal, wanneer alle geschapen onderstanden het hoofd zullen onderhalen, zoals de toppen van de hoogste bergen bij de wereldvloed, dan ook zal ik op God hopen en mij in Hem verblijden. Nu verdwijnt alles uit mijn oog, behalve God! En u mijn ziel, roep ja, met heilige ontzetting: Bestendig gevaar! Maar voeg er ook in één adem, al juichend bij: Veiligheid bij God in Christus!