1 Thessalonicenzen 2:7-12
In deze woorden herinnert de apostel de Thessalonicenzen aan zijn wijze van omgang met hen.
I. Hij wijst op de vriendelijkheid van hun gedrag: Wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, vers 7. Hij, die met het gezag van een apostel van Christus had kunnen optreden, had grote zachtheid en vriendelijkheid getoond. Zulk een gedrag is een grote aanbeveling voor den godsdienst en geheel overeenkomstig Gods genadige behandeling van zondaren in en door het Evangelie. Deze grote apostel, vleierij verafschuwende en vermijdende, was toch de meest-meegaande van alle mensen. Hij schikte zich naar ieders eigenaardigheden en werd allen alles. Hij toonde de tederheid en zorg van een voedster, die haar kinderen koestert. Dit is de wijze om de harten te winnen, veel meer dan een regeren met gestrengheid. Het Woord van God is inderdaad krachtig, en het komt dikwijls met vreeslijke macht over de zielen der mensen, want het is altijd voldoende om van elk onpartijdig oordeel te overtuigen. Maar het komt ook met aangename kracht, wanneer de dienaren van het Evangelie zich zelven aangenaam maken aan de gewetens der mensen. En gelijk een zorgende moeder de ondeugendheden van haar kind verdraagt en het de geringste diensten bewijst, het drukt aan de borst en op haar schoot liefkoost, zo behoren ook de dienaren van Christus zich jegens de mensen te gedragen. Een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen en verdraagzaam, 2 Timotheus 2:24. Deze vriendelijkheid en goedheid toonde de apostel op verscheidene wijzen.
1. Door vurig verlangen naar hun welzijn.
Tot u zeer genegen zijnde, vers 8. De apostel had zeer grote liefde voor hen en zoekt hen, niet het hun, hen zelven, niet hun goed. Hij zocht hen te winnen, niet opdat hij van hen winst zou behalen of een koopmanschap van hen maken, hij was ernstig verlangende naar hun geestelijk en eeuwig welzijn.
2. Door grote bereidwilligheid om hun goed te doen, genegen om hun mede te delen niet alleen het Evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, vers 8. Ziehier de wijze van Paulus' prediking. Hij spaarde daarin geen moeite. Hij was gewillig gevaren te lopen en zijn leven te wagen in de verkondiging van het Evangelie. Hij was gewillig ten koste gegeven te worden voor de zielen der mensen, en gelijk van hen, die uit het ware beginsel hun brood met de hongerigen delen, gezegd wordt dat zij in hun gave hun ziel mededelen, Jesaja 58:10, zo deden de apostelen desgelijks in de uitreiking van het brood des levens, zo dierbaar waren in het bijzonder deze Thessalonicenzen den apostel en zo groot was zijne liefde voor hen.
3. Door eigen arbeid om hun niet te laste te zijn, opdat zijne bediening hun niet kostbaar en lastig zou vallen. Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite, want nacht en dag werkende, enz., vers 8 en 9. Hij ontzegde zich zelven de vrijheid om bezoldiging van de gemeenten aan te nemen. Bij het werk van zijne bediening voegde hij dat van zijn beroep, tentenmaker, om zijn dagelijks brood te verdienen. Wij behoeven niet aan te nemen, dat de apostel voortdurend dag en nacht werkte voor zijn levensonderhoud, want dan zou hij geen tijd overgehouden hebben voor het werk zijner bediening. Maar hij besteedde een deel van den nacht, zowel als van den dag aan dit werk, en was bereid een deel van zijn nachtrust op te offeren om tijd over te houden voor het werk zijner bediening over-dag. Hier ontvangen de dienaren van het Evangelie een goed voorbeeld om ijverig te zijn voor het behoud der zielen, ofschoon er niet uit volgt dat zij altijd zonder bezoldiging moeten prediken. Er kan hier geen algemene regel gesteld worden, zomin dat de dienaren nooit met de handen mogen werken om in hun levensonderhoud te voorzien, als dat zij verplicht zijn dat altijd te doen.
4. Door de heiligheid van hun omgang, waaromtrent hij zich niet alleen op hen beroept, maar ook op God, vers 10. Gij zijt getuigen, en God. Zij hadden zijn uitwendig gedrag in het openbaar opgemerkt, en God was getuige van hun gedrag in het geheim en van de beginselen, waaruit zij handelden. Hun gedrag was heilig jegens God en rechtvaardig jegens de mensen, onbestraffelijk, zonder aanleiding te geven tot schandaal, en zij waren zorgzaam om geen belediging aan te doen hun die buiten waren of hun die geloofden, opdat zij geen slecht voorbeeld zouden geven, en bij hen leer en leven een geheel zouden vormen. Hierin, zegt de apostel, oefen ik mij zelven om altijd een onergerlijk geweten te hebben voor God en de mensen, Handelingen 24:16.
II. Hij vermeldt de getrouwe uitoefening van het werk der bediening, vers 11, 12. Desaangaande kon hij zich op hen als getuigen beroepen. Paulus en zijn medearbeiders waren niet alleen goede Christenen, maar ook getrouwe dienaren. En wij moeten niet alleen over het algemeen goede Christenen zijn, maar ook in onze bijzondere roepingen en betrekkingen. Paulus vermaant de Thessalonicenzen, niet enkel door hen te wijzen op hun plichten, maar ook door hen aan te sporen en op te wekken, door geschikte middelen en bewijsvoeringen, om ze getrouw te vervullen. En daarbij vertroostte hij hen, door te trachten hun zielen te verkwikken en te ondersteunen onder de moeilijkheden, die over hen kwamen. En dat deed hij niet alleen in het openbaar, maar ook in het bijzonder van huis tot huis, Handelingen 20:20, zich tot ieder hunner persoonlijk richtende, zoals een vader ieder zijner kinderen afzonderlijk naar eigen aanleg leidt en vermaant. De uitdrukking geeft te kennen de hartelijke en liefdevolle raadgevingen en vertroostingen, welke de apostel gaf. Hij was hun geestelijke vader, en terwijl hij hen als een voedster koesterde, vermaande hij hen als een vader, meer met vaderlijke toegenegenheid dan met vaderlijk gezag. Als mijn lieve kinderen vermaan ik u, 1 Corinthiërs 4:14. Deze wijze van vermanen behoren de dienaren in het bijzonder goed te bestuderen om den apostel daarin na te volgen, zij moeten de bedoeling daarvan ook met aandacht opmerken: Opdat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot Zijn koninkrijk en heerlijkheid, vers 12. Merk hier op:
1. Wat is ons grote voorrecht door het Evangelie? Dat God ons roept tot Zijn koninkrijk en heerlijkheid. Het Evangelie roept ons in het koninkrijk en den staat van heerlijkheid hier en hiernamaals, tot den hemel en zijn gelijkzaligheid als doel en tot de heiligheid als middel.
2. Wat is onze grote Evangelische roeping? Dat wij wandelen waardiglijk Gode, dat de gesteldheid onzer zielen en de houding onzes levens aan deze roeping beantwoorden en met dit voorrecht overeenstemmen. Wij moeten ons aansluiten aan de bedoeling van het Evangelie en leven overeenkomstig onze belijdenis en voorrechten, onze hoop en onze verwachtingen, gelijk zulke betaamt, die zo hoge en heilige roeping ontvangen hebben.