1 Thessalonicenzen 5:16-22
Hier vinden wij verscheidene korte vermaningen, die gemakkelijk te onthouden zijn, maar waarvan wij groot nut zullen hebben indien wij er onze harten en ons leven naar regelen, want die plichten zijn van groot belang, en het is goed op te merken hoe ze met elkaar verbonden zijn en van elkaar afhangen.
1. Verblijdt u te allen tijd, vers 16. Men moet hieronder verstaan geestelijke blijdschap, want van aardse blijdschap mogen wij genieten als niet-blijde zijnde, wij hebben niet vele jaren te leven en mogen ons in die jaren verblijden, maar de blijdschap in God duurt eeuwig. Door Hem wordt onze blijdschap vervuld en het is onze eigen schuld indien wij niet voortdurend in feestelijke stemming zijn. Ook indien wij over enige aardse zaak in droefheid zijn, mogen wij ons toch verblijden, 2 Corinthiërs 6:10. Een godvruchtig leven is een aangenaam leven, een leven van voortdurende blijdschap.
2. Bidt zonder ophouden, vers 17. Het middel om ons altijd te verblijden, is zonder ophouden te bidden. Wij zouden ons meer verblijden indien wij meer baden. Wij moeten onze vaste tijden voor het gebed hebben, èn voortdurend in gebed aanhouden. Wij moeten altijd bidden en niet vertragen, bidden zonder verflauwing en voortgaan met bidden, tot wij komen in de wereld, waar het gebed wordt opgelost in dankzegging. De bedoeling is niet dat de mensen nooit iets anders doen moeten dan bidden, maar dat niets van hetgeen wij overigens doen, ons mag terughouden van het gebed op zijn tijd. Bidden zal ons helpen, en niet hinderen, in alle goede werk en nuttige bezigheid.
3. Dankt God in alles, vers 18. Terwijl wij bidden zonder ophouden, moeten wij niet verzuimen steeds te danken en in alles, wij zullen er ook steeds reden voor hebben. Wij moeten in alles onze begeerten met bidden en smeken Gode bekendmaken, maar daarbij de dankzegging niet verwaarlozen, Filippenzen 4:6. Wij moeten dankbaar zijn in alle omstandigheden, zowel in tegenspoed als in voorspoed. Het staat nooit zo slecht met ons of het kon nog erger zijn. Indien wij ook nog zoveel reden hebben om onze nederige klachten Gode bekend te maken, nooit hebben wij reden om ons over God te beklagen, maar altijd reden tot veel lof en dank. De apostel zegt: Dat is de wil van God in Christus Jezus over u. God is met ons verzoend door Christus Jezus, in Hem, door Hem, en om Zijnentwil vergunt Hij ons dat wij ons voortdurend verblijden, en zegt ons dat wij in alles Hem danken zullen. Dat is Gode aangenaam.
4. Blust den Geest niet uit, vers 19, want het is de Geest der genade en der gebeden, die onze zwakheden te hulp komt, die ons in onze gebeden en dankzeggingen bijstaat. Van de Christenen wordt gezegd, dat zij gedoopt zijn met den Heiligen Geest en met vuur. Hij werkt als vuur, door de zielen der mensen te verlichten, te bezielen en te reinigen. Wij moeten zorg dragen dat wij dit heilige vuur niet uitblussen. Een vuur wordt uitgeblust door het brandstof te onthouden, zo blussen wij den Geest uit, indien wij onze zielen en al wat binnen in ons is niet opwekken om met de bewegingen van dezen goeden Geest overeen te komen. Een vuur wordt uitgeblust door er water op te gieten of door er een grote hoeveelheid vuil op te werpen, zo moeten wij zorgen dat wij den Geest niet uitblussen door toegeven aan zinnelijke lusten en bewegingen en door aardse dingen te bedenken.
5. Veracht de profetieën niet, vers 20, want indien wij de middelen der genade verachten, doen wij den Geest der genade smaadheid aan. Onder profetieën moeten wij hier verstaan de prediking van het Woord, de uitlegging en toepassing der Schrift, en die mogen wij niet verachten, maar moeten wij op prijs stellen en waarderen, want dat is de instelling Gods, door Hem gegeven voor onzen voortgang en wasdom in kennis en genade, in heiligheid en vertroosting. Wij moeten de prediking niet verachten, ofschoon ze eenvoudig is en niet opgesmukt met woorden van menselijke wijsheid, en ofschoon ons niets gezegd wordt dan hetgeen wij reeds wisten. Het is nuttig, en menigmaal noodzakelijk, dat onze zielen opgewekt en onze genegenheid en besluiten aangewakkerd worden, voor de dingen, waarvan wij weten dat ze ons belang en onze plicht zijn.
6. Beproeft alle dingen, behoudt het goede, vers 21. Dit is een nodige vermaning, alle dingen te beproeven, want, ofschoon wij waarde hechten moeten aan de prediking, moeten wij geen ding aannemen op gezag van den prediker, maar wat hij zegt toetsen aan de wet en aan het getuigenis. Wij moeten de Schriften onderzoeken om te weten of hetgeen hij zegt waar is. Wij moeten niet een iegelijk geest geloven, maar de geesten beproeven. Maar wij moeten niet eindeloos beproeven zonder te beslissen, ten laatste moeten wij beslissen en hetgeen goed is vasthouden. Wanneer wij overtuigd zijn dat iets recht, en waar, en goed is, dan moeten wij het behouden en niet laten ontglippen, welken tegenstand of welke vervolging wij daarom ook mochten ondervinden. De leerstellingen van menselijke onfeilbaarheid, blind geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijn geen bijbelse leerstellingen. Iedere Christen heeft, en behoort te hebben, het oordeel des onderscheids en moet hebben geoefende zinnen om te onderscheiden wat goed en wat kwaad is, Hebreeën 5:13, 14. Wij moeten alle dingen beproeven teneinde te behouden wat goed is. Wij moeten niet altijd zoekers blijven, en niet altijd van gedachten veranderen, want dan worden wij gelijk kinderen van den vloed ginds en weer bewogen.
7. Onthoudt u van allen schijn des kwaads, vers 22. Dat is een goed middel om te voorkomen, dat we bedrogen worden door valse leerstellingen of onbestemd in het geloof zijn, want onze Zaligmaker heeft gezegd, Johannes 7:17 :Zo iemand wil deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen dat zij uit God is. Verkeerde neigingen bederven het hart, en kwade praktijken, toegelaten in het leven, zullen grotelijks bijdragen om schadelijke dwalingen in den geest te brengen, terwijl reinheid van hart en oprechtheid van wandel den mens geschikt maken om de waarheid aan te nemen en lief te hebben. Wij moeten daarom afstand doen van het kwade en van allen schijn des kwaads, van zonde en van hetgeen zich als zonde voordoet, er toe leidt en er ons toe verlokt. Hij, die den schijn des kwaads niet schuwt en de gelegenheid tot zondigen niet vermijdt, niet voor de verzoekingen en de naderingen der zonde uit den weg gaat, zal niet lang weerstand bieden kunnen eer hij de zonden pleegt.