2 Corinthiërs 3:6-11
Hier maakt de apostel ene vergelijking tussen het Oude en het Nieuwe Testament, tussen de wet van Mozes en het Evangelie van Jezus Christus, en zegt van zich zelven en zijne medearbeiders, dat zij bekwaam zijn gemaakt, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, vers 6, dat God hen zo gemaakt heeft. Dat doet hij in antwoord op de beschuldiging der valse leraren, die grotelijks de wet van Mozes verhieven.
I. Hij onderscheidt tussen de letter en den geest ook van het Nieuwe Testament, vers 6. Als bekwame dienaren van het Nieuwe Testament waren zij bedienaren niet bloot van de letter, om het geschreven Woord te lezen, of alleen maar de letter van het Evangelie te verkondigen, maar ze waren bedienaren ook van den Geest, de Geest van God vergezelde hun bediening. De letter doodt. Dat doet de letter van de wet, want die is de bediening des doods, en zo wij alleen in de letter van het Evangelie blijven, zullen we daardoor niet beter worden, want dan zal ook dat zelfs ons een reuk des doods ten dode worden. Maar de Geest van het Evangelie, gepaard gaande met de bediening des Evangelies, geeft geestelijk en eeuwig leven.
II. Hij toont aan het onderscheid tussen het Oude en het Nieuwe Testament, en de heerlijkheid van het Evangelie boven de wet. Want:
1. De Oud-Testamentische bedeling was de bediening des doods, vers 7, terwijl de Nieuw- Testamentische bedeling de bediening des levens is. De wet ontdekte de zonde en den toorn en den vloek Gods. Zij toonde ons God boven ons en God tegen ons, maar het Evangelie ontdekt genade, Emmanuel, God met ons. Daarom is het Evangelie heerlijker dan de wet, en toch had zij ook heerlijkheid in zich, zoals getuigde de glinstering van Mozes' aangezicht (die er de aanduiding van was) toen hij van den berg kwam met de tafelen in de hand, die stralen van heerlijkheid op zijn aangezicht weerkaatste.
2. De wet was de bediening der verdoemenis, want zij veroordeelde en vervloekte een iegelijk, die niet bleef in hetgeen in haar geschreven was, om dat te doen. Maar het Evangelie is de bediening der rechtvaardigheid, daarin dat de rechtvaardigheid Gods door het geloof er in is geopenbaard. Het toont ons dat de rechtvaardige door het geloof zal leven. Het openbaart ons de genade en barmhartigheid Gods door Jezus Christus, door de verkrijging van de vergeving der zonden en van het eeuwige leven. Het Evangelie overtreft daardoor de wet zo verre in heerlijkheid, dat het die van de vroegere bedeling geheel verduistert, vers 10. Gelijk het schijnsel van een brandende lamp verloren gaat en niet opgemerkt wordt wanneer de zon opgaat en straalt in hare kracht, zo is de heerlijkheid van het Oude Testament in vergelijking met die van het Nieuwe.
3. De wet is teniet gedaan, maar het Evangelie blijft, vers 11. Niet alleen verdween de heerlijkheid van Mozes' aangezicht, maar de heerlijkheid van Mozes' wet is ook teniet gedaan, ja, de gehele wet van Mozes is nu vernietigd. Die bedeling bestond slechts voor een tijd en zou daarna verdwijnen, terwijl het Evangelie bestemd is om tot het einde der wereld te blijven, en altijd nieuw, bloeiend en heerlijk te zijn.