2 Corinthiërs 13:7-10
Hier hebben wij:
I. Des apostels gebed tot God voor de Corinthiërs, dat zij geen kwaad mogen doen, vers 7. Dat is de begeerlijkste zaak, die wij van God vragen kunnen, zowel voor ons zelven als voor onze vrienden, teruggehouden te worden van de zonde, dat wij en zij geen kwaad doen. En het is zeer nodig dat wij God gedurig om deze genade bidden om ons te bewaren, want wij kunnen ons zelven niet bewaren. Het is meer onze roeping te bidden dat wij geen kwaad mogen doen, dan dat wij geen kwaad zullen lijden.
II. De redenen, waarom Paulus dit gebed voor de Corinthiërs tot God opzendt, welke redenen in nauw verband staan met het geval en het onderwerp, dat hij in zijn brief behandeld heeft. Hij zegt hun:
1. Het was niet zozeer voor zijn eigen goeden naam als voor de eer der belijdenis.
Niet opdat wij zouden beproefd worden, maar dat gij het goede zoudt doen, het betamelijke, hetgeen uw godsdienst aanbeveelt, al zouden wij ook verwerpelijk bevonden worden en als verworpelingen veracht, vers 7. De grote begeerte van getrouwe dienaren des Evangelies is dat het door hen gepredikte Evangelie zal geëerd worden, al wordt hun persoon miskend. De beste wijze om onze heilige belijdenis te versieren is het goede te doen, en te wandelen overeenkomstig het Evangelie van Christus.
2. Een andere reden was deze: dat zij vrij van alle blaam en tucht mochten zijn wanneer hij kwam. Dat is aangeduid in vers 8. Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid. Wanneer zij dus geen kwaad deden of tegen hun belijdenis handelden, had de apostel geen macht of gezag om hen te straffen. Hij had vroeger gezegd, Hoofdstuk 10:8, en zegt het ook hier, vers 10, dat de macht, hem door den Heere verleend, was tot opbouwing en niet tot neder werping, zodat ofschoon den apostel grote macht verleend was voor de bevordering en uitbreiding van het Evangelie, hij niets doen kon tot vermindering der waarheid of tot ontmoediging van hen, die het gehoorzaamden. Hij kon niet, dat is: hij wilde niet, hij durfde niet handelen tegen de waarheid, hij had daar geen zending toe, en de apostel verheugt zich over deze onmacht. Wij verblijden ons wanneer wij zwak zijn en gij sterk zijt, vers 9, dat is: wanneer wij geen macht hebben om te straffen omdat gij sterk zijt in geloof en vruchtbaar in goede werken. Sommigen lezen deze woorden als volgt: Ofschoon wij zwak zijn door vervolging en verachting, dragen wij dat geduldig en met blijdschap, omdat wij zien dat gij sterk zijt, wassende in heiligmaking en volhardend in goeddoen.
3. Hij begeert hun volmaking, vers 9, dat is: dat zij oprecht mogen zijn en de volmaking najagen (oprechtheid is onze Evangelische volmaking), of hij verlangt dat er een grondige hervorming onder hen geschiede. Hij begeert niet alleen dat zij voor de zonden bewaard blijven mogen, maar dat zij mogen groeien in genade, toenemen in heiligheid, en dat alles, wat verkeerd onder hen was, mocht hersteld en hervormd worden. Dit was het grote doel, waarmee hij dezen brief schreef, en deze vrijheid gebruikte hij om hun deze dingen te schrijven (deze vriendelijke vermaningen en waarschuwingen), afwezig zijnde, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou gebruiken, vers 10, dat is: niet tot de uiterste strengheid behoef te komen, in de uitoefening van de macht, welke de Heere hem gegeven had, om alle ongehoorzaamheid te wreken, Hoofdstuk 10:6.