Romeinen 15:30-33
Hier vinden wij:
I. Paulus verlangen naar een aandeel in de gebeden van de Romeinen voor hem, zeer ernstig uitgedrukt, vers 30-32. Ofschoon Paulus een groot apostel was, vroeg hij om de voorbeden van de geringste Christenen, niet alleen hier maar in verscheidene van zijne brieven. Hij had veel voor hen gebeden, en dit vraagt hij als vergelding voor zijne vriendelijkheid. Uitwisseling van de gebeden is een uitnemend teken van de wederkerige liefde. Paulus spreekt als iemand, die zich zelven kent, en leert ons daardoor van hoe grote waarde de werkelijke vurige gebeden van den rechtvaardige zijn. Hoe zorgvuldig moeten wij waken tegen het verbeuren van ons aandeel in de liefde en de gebeden van Gods biddende volk!
1. Merk op waarom zij voor hem moeten bidden. Hij vraagt er om met den grootsten aandrang. Hij had enige aanleiding om te denken dat zij hem in hun gebeden zouden vergeten, omdat zij hem niet persoonlijk kenden, en daarom dringt hij er zo op aan en vraagt en smeekt er om met de innigste betuigingen bij alles wat dierbaar en heilig is.
En ik bid u.
A. Door onzen Heere Jezus Christus (of ter wille van onzen Heere Jezus Christus). Hij is mijn Meester, ik ben bezig in Zijn werk en Zijne heerlijkheid is betrokken in het welslagen daarvan, en daarom indien gij enig belang stelt in Jezus Christus en in Zijne zaak, bidt dan voor m ij. Gij hebt Christus lief en gij erkent Christus, bewijst mij dus om Zijnentwil deze vriendelijkheid.
B. En door de liefde des Geestes. Bidt voor mij als een bewijs en gevolg van die liefde, welke de Heilige Geest werkt in de harten der gelovigen jegens elkaar, het zij een vrucht van de gemeenschap, die wij met elkaar hebben door den Geest, ofschoon wij elkaar nooit gezien hebben. Indien gij enigszins de liefde des Geestes jegens u ondervonden hebt en verlangt dien Geest wederliefde te bewijzen, blijft dan niet in gebreke mij deze vriendelijkheid te betonen.
2. Hoe zij voor hem moesten bidden. Dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij, vers 30.
A. Dat gij strijdt in den gebede. Wij moeten in het gebed al wat in ons is aan het werk zetten, bidden met standvastigheid, geloof en vurigheid, worstelen met God gelijk Jakob deed, een gebed bidden, gelijk Elia deed, Jakobus 5:17, ons opwekken om God aan te grijpen, Jesaja 64:7, en dat niet alleen wanneer wij bidden voor ons zelven, maar ook in onze gebeden voor onze vrienden. De ware liefde tot onze broederen moet ons zo ernstig voor hen maken als het gevoel van onze noden ons voor ons zelven maakt.
B. Dat gij met mij strijdt in de gebeden. Wanneer hij hen verzocht om voor hem te bidden, was daardoor geen verontschuldiging bedoeld, dat hij ook zelf niet voor zich zelven zou bidden, neen: Strijdt met mij, met mij die dagelijks met God worstel in het belang van mij en mijne vrienden. Hij wenste dat zij samen een lijn zouden trekken. Paulus en deze Romeinen waren ver van elkaar verwijderd, en zouden dat waarschijnlijk vooreerst blijven, en toch konden zij samen strijden in de gebeden. Degenen, die door de Voorzienigheid Gods ver van elkaar gescheiden zijn, mogen elkaar toch ontmoeten voor den troon der genade. En zij, die om de gebeden van anderen vragen, mogen niet verzuimen voor zich zelven te bidden.
3. Wat zij God voor hem moeten vragen. Hierbij treedt hij in bijzonderheden, want in het gebed zo voor ons zelven als voor onze vrienden, is het goed bijzonderheden te noemen.
Wat wilt gij dat Ik u doen zal? Zo spreekt Christus ook nu, als Hij ons den gouden scepter toereikt. Ofschoon Hij onzen toestand en onze noden volkomen kent, wil Hij ze van ons horen. Paulus beveelt zich in hun gebeden aan ten opzichte van drie dingen.
A. De gevaren waaraan hij blootgesteld was.
Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, vers 31. De ongelovige Joden waren de heftigste vijanden van Paulus en woedden het meest tegen hem, en in zekeren zin had hij de moeiten van deze reis aan hen te danken, en daarom moeten zij God bidden hem van hen te willen bevrijden. Wij mogen en moeten tegen vervolgingen bidden. Dit gebed werd verhoord in verscheidene merkwaardige uitreddingen van Paulus, ons meegedeeld in Handelingen 21-24.
B. Zijn diensten. Dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen. Hoe, bestond er enig gevaar ter wereld dat die dienst niet aangenaam zou zijn? Kan geld onaangenaam zijn voor arme mensen? Ja, er was in dit geval enige aanleiding tot bedenking, want Paulus was de apostel der heidenen, en gelijk de ongelovige Joden hem daarom met nijdigheid behandelden, - hetgeen hun godloosheid was-zo waren de gelovigen om die reden hem minder genegen, -hetgeen hun zwakheid was. Hij zegt niet: "Zij moeten zelf beslissen of zij het al dan niet willen aannemen, zo niet: dan zal ik het wel beter besteden, " maar: "Bidt dat het aangenomen worde". Gelijk God moet gevraagd worden om den bozen wil van onze vijanden tegen te houden, evenzo moet Hem gebeden worden om den goeden wil van onze vrienden te bewaren en te versterken, want God heeft beider harten in Zijne hand.
C. Zijn reis naar hen. Om zich van hun gebeden te verzekeren, verenigt hij hun belangen met de zijne: Opdat ik met blijdschap, door den wil van God, tot u mag komen. Indien zijn tegenwoordige reis naar Jeruzalem zou blijken mislukt te zijn, dan zou zijn voorgenomen reis naar Rome niet aangenaam zijn. Indien hij door het ene bezoek geen goed kon doen en niet slagen mocht, dan meende hij zou de volgende reis slechts weinig blijdschap opleveren. Dat ik komen moge met blijdschap door den wil van God. Al onze blijdschap hangt af van Gods wil. Het welzijn van het schepsel is in alle opzichten afhankelijk van den Schepper.
II. Hier is een ander gebed, van den apostel voor hen, vers 33. En de God des vredes zij met u allen. Amen. De Heere der heirscharen, de Heere der oorlogen, is de God des vredes, de bewerker en beminnaar van den vrede. Hij noemt God hier bij dezen naam, met het oog op hun geschillen en om hun den vrede aan te bevelen. Indien God de God des vredes is, dan behoort er onder de mensen ook vrede te zijn. De Oud-Testamentische zegen was: Vrede zij met u! Hier heet het: De God des vredes zij met u! Zij, die de bron hebben, genieten vanzelf den stroom. Met u allen, met zwakken en sterken. Ten einde hen tot nauwer eenheid te stemmen, neemt hij hen allen tezamen in dit gebed op. Zij, die verenigd zijn in de zegeningen Gods, behoren ook verenigd te zijn in liefde met elkaar.