10. Want u doet ook dit, u laat het niet ontbreken aan de praktische volbrenging daarvan en wel bewijst u die liefde aan al de broeders, die in geheel Macedonië zijn (
Hoofdstuk 1:7). Maar wij vermanen u, broeders, dat u nog meer overvloedig wordt, omdat er naasthetgeen u reeds doet, nog zoveel betrekkingen en omstandigheden zijn, waarbij het u aan de juiste beoefening ontbreekt (
Vers 1;
3:12).
Men zou het vreemd kunnen vinden dat de lezers een waarschuwing nodig hadden tegen maatschappelijk benadelen van de broeder en daarentegen geen aanmaning nodig hadden tot werkdadige liefde onder elkaar; maar hoezeer ook die zonde door deze deugd moest zijn uitgesloten, zo gemakkelijk konden zij in werkelijkheid toch met elkaar gepaard gaan. Ook hij, die de begeerte naar winst niet kon weerstaan, kon zeer goed in oprechte liefde, waar het nodig was, dus met name in gevallen van armoede, gewillig zijn om zijn geloofsgenoten hulpvaardig bij te staan en dit te meer, hoe verser de band was, die hem met deze verbond en hoe groter de vreugde was van deelgenoten aan het nieuwe geloof te hebben en te verkrijgen. Gelegenheid tot betoning van liefde bood zich juist het meest aan bij pas gevestigde gemeenten, waar koopmanschap en nering de nadelige gevolgen ondervonden van het uittreden uit de vroegere godsdienst-gemeenschap, waarmee toch ook de volksgemeenschap verbroken scheen te zijn, terwijl tot regeling van de nieuwe een al was het ook geringe uitgaaf nodig was.
Als inwendige grond, waarom hij het onnodig achtte hun opnieuw onderricht te geven over de broederliefde, geeft Paulus aan dat zij zelf door God geleerd waren, d. i. dat hun de Heilige Geest was gegeven; want waar deze is, daar leert Hij ook en waar Hij leert, daar brengt Hij ook de beoefening voort en zo kan de apostel hier doelen op hetgeen de Thessalonicensen aan alle broeders in Macedonië hebben gedaan.
De goddelijke onderrichting heeft geen plaats zonder bemiddeling, of toverachtige wijze, maar door inleiding in de geopenbaarde waarheid. Bij elke bemiddeling door onderrichten en opvoeden komt een punt, dat de menselijke inspanning moet stilstaan, waar alleen zij als ware leerlingen openbaar worden, voor wie het licht van de Geest, die het Woord bezielt, inwendig opgaat, bij wie de lering, uit het Woord ontvangen, inwendig wordt verklaard, duidelijk wordt gemaakt en in het hart geschreven wordt. Alleen een sterk hierarchische denkwijze ziet dit ontstaan van een zelfstandig Christendom wantrouwend aan. Voor een goddelijk gezinde opvoeder is het de grootste vreugde, als hij bij zijn leerlingen iets dergelijks ontdekt (vgl. Johannes 4:42). Het is de Geest, die hun getuigenis geeft, dat zij het leven uit God hebben ontvangen, dat de liefde van God in hun hart is uitgestort. Het is een leren, dat tegelijk werken is, zoals de wet dat niet kan doen.
Er zijn mensen, die zeer schriftuurlijk, zeer Christelijk, immers wat de klank betreft, over de broederlijke liefde kunnen spreken als een noodwendig kenmerk in de Christen, kunnen uitweiden als over de vrucht alleen van het geloof in Jezus Christus en de toeëigening van Gods liefde in Hem; die zeer aandoenlijk en niet zonder eigen aandoening, van die liefde van Christus kunnen ophalen en van het liefelijke om de broeders lief te hebben in Zijn kracht en naar Zijn voorbeeld. Er zijn mensen, die zeer natuurlijk kunnen klagen, dat er in onze tijden zo weinig liefde is onder het volk van God en zeer ootmoedig kunnen zuchten, dat zij zelf zo liefdeloos zijn, dat er nog zo'n oude, hatelijke en nijdige mens in hun binnenste woont, dat zij zo gedurig in liefde te kort komen. Er zijn mensen, die zich echt in de broederlijke liefde kunnen verheugen, als zij met hen, met wie zij het zo eens echt in alle overtuigingen niet slechts, maar in alle begrippen, alle meningen, alle dwalingen misschien, eens zijn en volkomen eenstemmigheid in genoegelijke gezelligheid samen zitten en uit de borst aanheffen: En zie, hoe goed, hoe liefelijk is het, dat zonen van hetzelfde huis - wat dan zoveel zeggen wil als van dezelfde verdieping - als broeders samenwonen. Maar als mensen niets anders hebben dan deze bespiegelende, aandoenlijk sprekende, klagende, zuchtende, genietende liefde, als zij de werkzame, de handelende broederliefde missen, wij hoeven niet te geloven, dat zij "door God geleerd zijn om de broeders lief te hebben" en wij moeten ten uiterste vrezen tot deze soort van mensen te behoren en geen andere dan hun liefde te hebben. Anderszins is het nog zeer nodig, dat ons van de broederlijke liefde geschreven en gepredikt wordt: wij hebben er zelfs het A. B. C. nog niet van geleerd. De broederlijke liefde is de handelende liefde. Er is veel voor haar te doen en te arbeiden. Zij heeft allerlei taak en roeping, zolang de mensheid een lijdende mensheid, zolang de gemeente een strijdende gemeente zijn zal, zolang daar arme, zieke, zwakke, verdrukte broeders zijn. Meewarig te zijn en medelijden te hebben is niet genoeg, of liever is niet waar, tenzij dat men ook doet wat het lijden verzacht en wegneemt, tenzij men ook de zwakke steunt, draagt en schraagt. Er moet uitgestrooid, gegeven, geleerd, herbergzaamheid geoefend, vrede gesticht, onderwezen, vermaand en vertroost worden. Men moet de hand van de arbeiders sterken, men moet de lenden van de bezwijkenden gorden, men moet zich voor de gelasterde en verdrukte in het gericht, in de bres stellen. De blinde moet men tot ogen zijn, de kreupele tot voeten, de nooddruftige tot een vader; weduwen en wezen moeten in hun verdrukking worden bezocht; men is "schuldig het leven voor de broeders te stellen. " - De ware broederlijke liefde is niet bekrompen, noch in de keuze van haar voorwerpen, noch in de mate van haar uitstortingen. Zij beperkt zich niet tot een keurlezing uit de broeders; niet tot degenen, in wie zich alles of veel verenigt, wat behalve hun medegenootschap aan Christus, ons aangenaam aandoet of trekt; maar zij breidt zich uit over allen; en uit vrees van een enkele ziel, die recht heeft op haar vertroosting, op haar hulp een ziel, die kostelijk is in de ogen van de Heere, voorbij te gaan, is het haar genoeg, als zij alle dingen mag hopen, al is het niet, dat zij alle dingen mag zien. Maar geenszins is het haar genoeg, weinig liefde een halve hulp een trage getrouwheid te bewijzen. Zij geeft een volle, geschudde, neergedrukte, opgehoopte maat in de schoot. God geeft de gaven van Zijn liefde aan zo verschillende personen en karakters. God is zo rijk en zo mild over degenen, die Hem aanroepen; en de broederlijke liefde is een liefde uit God in het hart van de Christen; zij verloochent haar oorsprong niet. Welkom is haar de gelegenheid, liefde, opnieuw liefde, op een andere manier liefde te bewijzen, welkom de vermaning van een broeder om meer overvloedig te zijn, meer kies, meer veelzijdig, meer werkzaam, meer bestendig; zij erkent daar het hart van een broeders in. In de strijd met de oude liefdeloze mens, met de zelfbehagelijkheid, met de hoogmoed van het boze hart, heeft zij die vermaningen nodig, maar verstaat ze ook, waardeert ze, volgt ze op, verneemt er de stem van Christus in en wenst Hem door gehoorzaamheid te verheerlijken; - dat heeft menig heiden bewogen naar de bron van de liefde te vragen; dat beweegt menig spotter en wereldling tot eerbied, tot jaloersheid, straks tot onderzoek, eenmaal tot aanbidding. Er is geen eigenschap, die de wereld meer in de Christen eist, waar zij nauwer op ziet. En zij heeft recht. Maar dat dan ook de Christen toeziet, opdat hij allen schijn, niet slechts van liefdeloosheid, maar van koelheid, van traagheid, van bekrompenheid, van karigheid, van gebrek aan blijmoedigheid onder de werken en inspanningen van de liefde vermijdt. Als zijn liefde voor de bekering van de zondige wereld bidt, hij bidt ook dat geen gebrek aan liefde in hem gezien of vermoed, één zondaar verhindert, om zich bij de Heer te voegen en bij de gemeente, die zalig wordt.