12. Dit drukken wij u op het hart, opdat u eerlijk wandelt, geen aanstoot of ergernis verwekt (
Romeinen 13:13), bij degenen, die buiten zijn, tegenover (
Colossenzen 4:5) hen, die niet tot de Christelijke gemeente behoren (
1 Corinthiërs 5:12 v.) en geen ding noch van een mede Christen, noch van een, die geen Christen is, nodig heeft voor uw levensonderhoud. U moet voor u dat zelf op de gewone manier verschaffen, zoals wij u daartoe het voorbeeld hebben gegeven (
Hoofdstuk 2:9.
2 Thessalonicenzen 3:6 v.
II. Vers 13-Hoofdst 5:11. Hierop gaat Paulus over tot een tweevoudig onderricht over de terugkomst van de Heere. Eensdeels had hij van Timotheüs gehoord, dat de Thessalonicensen bekommerd waren over hun in de dood ontslapen broeders, omdat deze nu niet meer de vreugde konden genieten de Heere te begroeten als Hij van de hemel neerdalen zou. Aan de andere kant hadden de lezers zelf een mededeling begeerd, namelijk wanneer de terugkomst van de Heere kon worden verwacht. Wat het eerste punt aangaat, geeft de apostel de aanwijzing, dat, als de Heere kwam, Hij de gelovigen, weer uit de dood opgewekt, met Zich zou voeren, terwijl de levenden en overblijvenden bij Zijn verschijning ten gevolge van hun verandering Hem in de wolken tegemoet zouden worden gevoerd, om Hem in de lucht te ontmoeten en dan zouden zij voor altijd bij Hem zijn (Vers 13-18). Over het tweede punt verklaart hij, dat de gemeente over het "wanneer" van de dag van Christus reeds het nodige wist, dat namelijk die dag de wereld, die in haar gerustheid Hem niet wacht, plotseling als een dief in de nacht zal overvallen en ten verderf over haar zal komen als de smart van een zwangere vrouw. Zij daarentegen, die in Christus waren, bevonden zich niet in duisternis, maar wandelden in het licht van de dag. Die waarheid bezigt hij hierop tot de behartigingswaardige herinnering, dat Christenen van de dag zich moeten openbaren door een daarmee overeenstemmende, waakzame en nuchtere wandel. Dat zal het geval zijn, als zij in de wapenrusting van geloof, van liefde en van hoop de grote dag van de beslissing tegengaan. Zoals de eerste onderrichting uitliep op een aanmaning om de apostolische woorden tot wederzijdse vertroosting aan te wenden, sluit de tweede met een dergelijke vermaning, om elkaar wederkerig de een de ander, in Christelijk leven bevorderlijk te zijn (Hoofdstuk 5:1-11).
EPISTEL OP DE VIJFENTWINTIGSTE ZONDAG NA TRINITATIS
Evangelie en epistel van deze Zondag handelen over de terugkomst van de Heere. Het Evangelie (Mattheus 24:15) spreekt echter van de verschrikkingen, die met de terugkomst van de Heere verbonden zijn, het epistel van de troost, van de zaligheid, waarmee deze die van Christus zijn zegent. Het Evangelie laat ons het aangezicht zien van de terugkomende Heere, dat tot Zijn vijanden gekeerd is, terwijl het epistel ons het aangezicht van de Heere voorstelt, dat Hij naar Zijn vrienden keert. Met majesteit komt Hij weer, de doden staan op en worden met de gelovigen, die leven, Hem tegengeleid in de wolken, om ten allen tijde bij Hem te zijn.
Was aan het begin van het kerkelijk jaar de Christelijke hoop het voorname thema van de gekozen lezingen, aan het einde daarvan wordt dezelfde gedachte de koninklijke en heersende. En houden nu alle teksten van de drie laatste Zondagen deze gedachten zo klaar en duidelijk vast, dat ieder het kan opmerken, dan bestaat de bijzonderheid van de epistolische tekst van deze dag daarin, dat de Christelijke hoop is opgevat als een vertroosting bij de graven van de Christenen.
De Heere vergeet op de dag van Zijn terugkomst geen van Zijn gelovigen: 1. Hij wekt de doden op. 2. Hij bekleedt de levenden met een nieuw lichaam. 3. Hij neemt allen mee in het rijk van Zijn heerlijkheid.
Het zalig lot van hen, die in de Heere sterven: 1. sterven zij, zo slapen zij slechts; 2. slapen zij, zo volgt een ontwaken; 3. ontwaken zij, dan zegt het hun de ingang tot eeuwige heerlijkheid aan.
Een woord over hen, die slapen: 1. Welke verklaring dit woord geeft over de toestand, waarin zij zich bevinden; 2. welke grond het heeft in de opwekking, die aan de Heere geschied is en in de toezegging, die Hij gemaakt heeft; 3. welke uitwerking het doet, zodat wij niet treuren als de anderen, die geen hoop hebben, maar ons vertroosten over de scheiding.
De troost aan het graf: 1. de ontslapenen zijn niet gestorven; 2. de levenden zullen de ontslapenen niet voorkomen.
De opstanding van de doden: 1. haar zekerheid; 2. haar aard; 3. haar zegen.
De opstanding van de doden: 1. de grond, waarop zij rust; 2. het uitzicht, dat zij biedt; 3. de troost en de vermaning, die zij ons geeft.
De Christelijke openbaring over het toekomstig leven: 1. zij geeft ons een geruststellende hoop, die ons ver boven de hopeloosheid van de niet-Christen verheft, omdat zij rust op de zekere grond van het sterven en de opstanding van Christus en daarom hen, die van Christus zijn, door alle tijden heen omvat; 2. zij geeft ons nog bijzondere openbaringen over de zichtbare toekomst en openbaring van de heerlijkheid van Christus en over de manier van ons deelhebben daaraan, en opent ons daarmee de rijkste bron van troost.
Het aandenken aan onze zalige ontslapenen; het is 1. een aandenken van de liefde aan hetgeen de onze voor ons waren en daarom weemoedig; 2. een gelovig aandenken aan hetgeen zij nu zijn en daarom vertroostend; 3. een hoopvol aandenken aan hetgeen wij eens met hen zullen zijn en daarom heiligend.