1 Samuël 9:18-27
Gods voorzienigheid Samuël en Saul eindelijk tot elkaar gebracht hebbende, wordt ons nu hier bericht hetgeen er tussen hen voorviel in de poort, bij het feestmaal, en in het verborgene.
I. In de poort van de stad, daar door heengaande, vond Saul hem, vers 18, en, weinig denkende dat het Samuël zelf was, vroeg hij hem naar de weg naar Samuëls huis. Wijs mij toch, waar is hier het huis des zieners? want daar dacht hij hem te vinden. Zie hoe geringer staat Samuël gevoerd heeft, hoewel hij zo'n groot man was.
Hij had geen dienaren om hem te vergezellen, geen eretekenen, die voor hem uit werden gedragen, geen onderscheidend gewaad, neen, zelfs niet als hij zich ter Godsdienstoefening begaf, maar scheen in alle opzichten zozeer een gewoon persoon, dat Saul, hoewel hem gezegd was dat hij hem zou ontmoeten, niet het flauwste vermoeden had, dat hij het was, en zo vroeg hij hem waar des zieners huis was. Aldus is grote waardigheid dikwijls verborgen onder een gering uiterlijk.
Samuël wist dat het niet het huis was, maar de man, die hij verlangde te zien, en daarom antwoordt hij hem: "Ik ben de ziener, de persoon, die gij zoekt", vers 19.
Samuël kende hem eer hij Samuël kende, zo is het, dat, hoewel allen, die geroepen zijn tot het koninkrijk van de heerlijkheid, er toe gebracht zijn God te kennen zij toch eerst van God gekend zijn, Galaten 4:9.
1. Samuël verplicht hem nu om tot de volgenden dag bij hem te blijven. Het grootste gedeelte van die dag was doorgebracht met offeren, en het overige er van moest doorgebracht worden met de heilige feestmaaltijd, en daarom: zo zal ik u morgen vroeg laten gaan, en alles, wat in uw hart is, zal ik u te kennen geven.
Saul hield zich in zijn geest met niets bezig dan met zijn ezelinnen te vinden, maar Samuël wilde hem van die zorg ontheffen, en hem neigen tot beoefening van de Godsvrucht, en daarom zegt hij hem op te gaan naar de hoogte, voor hem heen te gaan, omdat Samuël misschien door de een of andere zaak onder weg nog opgehouden zou worden.
2. Hij stelt hem gerust over zijn ezelinnen, vers 20. "Zet uw hart daar niet op, wees er niet langer in zorg om, zij zijn gevonden."
Hieraan kon Saul bespeuren dat hij een profeet was, dat hij hem antwoord kon geven op een vraag, die hij nog niet gedaan had, hem kon zeggen wat hij dacht, en daaruit kon hij nu afleiden: indien een man Gods dit doen kon, veel meer nog verstaat God dan van verre onze gedachten.
3. Hij verrast hem met een wenk, dat hem bevordering staat te wachten, Op wie is de gehele begeerte van Israël?
Is het niet naar een koning dat hun begeerte uitgaat? En er is geen man in Israël, die hun zo zal gevallen als gij. Het blijkt niet dat het land reeds het oog op hem had voor de regering, omdat zij het volkomen aan God hadden overgelaten om voor hen te kiezen, maar zij wensten iemand te hebben zoals hij was, en zijn bevordering zal de bevordering wezen van zijn geslacht, zijn bloedverwanten, zoals Abner en anderer.
Op die vreemden, verbazingwekkenden wenk van Samuël, geeft Saul een nederig, bescheiden antwoord, vers 21.
Samuël schertste slechts met hem, dacht hij, omdat hij een lang man was, maar geen man van wie het waarschijnlijk is dat hij koning zal worden, want hoewel de geschiedschrijver zegt, vers 1, dat zijn vader een dapper held was, of een man van groot vermogen, spreekt hij toch zelf verkleinend van zijn stam en geslacht.
Toen Benjamin, de jongste zoon van Jakob, al volwassen was, werd hij nog de kleinste genoemd, Genesis 44:20, die stam is door de oorlog van Gibea verminderd, en ik ben een Benjaminiet, en mijn geslacht is het kleinste, "waarschijnlijk een jonger huis, in generlei plaats of post van eer of van vertrouwen, neen, zelfs niet in hun eigen stam. Gideon heeft zich ook in dier voege uitgelaten, Richteren 6:15. Een nederige gemoedsgesteldheid is een goed voorteken van bevordering.
II. Bij de openbaren maaltijd, derwaarts heeft Samuël hem en zijn dienaar medegenomen.
Hoewel de verhoging van Saul het aftreden van Samuël tengevolge zal hebben, was die vrome profeet er echter zo ver af hem te benijden, of er kwaadwilligheid om te koesteren jegens hem, dat hij de eerste en de ijverigste was om hem eer te bewijzen in onderworpenheid aan de wil van God.
Indien dit de man is, die God heeft verkoren, hoewel hij geen van Samuëls vrienden of vertrouwelingen is, dan is hij van harte welkom aan zijn tafel, ja aan zijn hart.
Wij kunnen onderstellen dat het geen ontijdige vriendelijkheid was, die aan Saul werd bewezen, in hem aan de maaltijd te nodigen, want uit hetgeen hij gezegd heeft, vers 7, blijkt dat al hun voorraad spijs en geld op was. Maar dit was niet alles: Samuël behandelt hem niet als een gewoon persoon, maar als een persoon van rang en aanzien, om beide hem en het volk te bereiden op hetgeen volgen zou. Twee tekenen van eer gaf hij hem.
1. Hij zette hem op de beste plaats, als meer geëerd dan de andere gasten, tot wie hij zei: Geeft deze plaats, Lukas 14:9.
Hoewel wij kunnen onderstellen dat de magistraten daar waren, die in hun eigen stad wel aanspraak zouden maken op de voorrang, heeft toch de gastheer Saul en ook zijn dienstknecht (die, zo hij koning was, geëerd moet worden als zijn eersten staatsdienaar) een plaats gegeven aan het opperste van de genodigden, vers 22.
Burgerlijke beleefdheid moest bewezen worden aan hen, aan wie door de Goddelijke voorzienigheid in burgerlijke zaken de voorrang is gegeven. 2. Hij gaf hem de besten schotel, die hij, de dag tevoren van de hemel kennis hebbende gekregen van zijn komst, vers 16, voor hem bestemd had, en de kok had bevolen voor hem te bewaren, toen hij orders gaf voor de nodiging van de gasten, en toebereidselen voor hen te maken. En waarin zal die kostbare schotel bestaan, die met zoveel zorg voor de verkoren koning bewaard werd?
Men zou zo denken dat het iets zeer keurigs en smakelijks moet zijn, maar neen, het was een eenvoudige schouder van een schaap, vers 23, 24, de rechterschouder van het dankoffer moest aan de priesters worden gegeven, die Gods ontvangers waren, Leviticus 7:32,, het volgende in eer was de linkerschouder, die waarschijnlijk altijd toegewezen werd aan hen, die aan het boveneinde van de tafel zaten, en gewoonlijk op andere tijden Samuëls schotel was, zodat zijn geven er van aan Saul een stilzwijgend afstaan was van zijn plaats aan hem. Sommigen zien een betekenis in deze schotel: de schouder duldt krachs aan en de borst die, naar sommigen menen, er mee gepaard ging, duidt genegenheid aan, hij die koning was, had de heerschappij op zijn schouder, want hij moest er het gewicht van dragen, en het volk in zijn borst, in zijn hart, want het moest hem dierbaar wezen.
III. Wat er tussen hen voorviel in de afzondering, in het geheim, zowel die avond, als vroeg in de volgenden morgen sprak Samuël met Saul op het platte dak van het huist vers 25, 26.
Wij kunnen onderstellen dat Samuël hem nu de gehele geschiedenis mededeelde van de begeerte des volks om een koning te hebben de grond of oorzaak van hun begeerte, en Gods bewilliging er in, hetgeen alles voor Saul, die een zeer afgezonderd leven leidde, misschien vreemd was.
Hij verzekerde hem, dat hij de persoon was, door God verkoren voor de regering, en toen Saul hier tegen inbracht, dat Samuël in het bezit was van de regering en hij haar voor niets ter wereld hem uit de hand zou willen nemen, heeft Samuël, naar wij kunnen onderstellen, hem de volle verzekering gegeven, dat hij er zeer gaarne afstand van wilde doen.
De volgende morgen vroeg zond hij hem naar huis, begeleidde hem een eindweegs, zei hem zijn dienaar vooruit te zenden, ten einde tezamen alleen te zijn, vers 27, en daar heeft hij hem, gelijk wij in het begin van het volgende hoofdstuk zien zullen, gezalfd, en hem daarin het woord Gods getoond of doen horen, dat is: hij gaf hem de volle overtuiging dat hij de persoon was, verkoren om koning te zijn, want met die heilige plechtigheid zou hij niet schertsen.
Het is door de zalving des Heiligen Geestes dat Christus, de grote profeet, ons het woord des Heeren toont " dezelfde zalving leert u van alle dingen", 1 Johannes 2:27.