1 Samuël 31:1-7
De dag van de vergelding is nu gekomen waarin Saul rekenschap moet geven van het bloed van de Amalekieten, dat hij op zondige wijze gespaard heeft, en dat van de priesters, dat hij op nog zondiger wijze vergoten heeft, ook het bloed van David, dat hij had willen vergieten, wordt in rekening gebracht. Nu is de dag gekomen waarop hij moet vallen, zoals David voorzien heeft, wanneer hij in de strijd zal trekken en omkomen, Hoofdstuk 26:10. Kom en aanschouw de rechtvaardige oordelen Gods.
I. Hij ziet zijn krijgslieden om hem heen vallen, vers 1. Of de Filistijnen talrijker waren, betere stellingen hadden ingenomen, beter aangevoerd waren, of andere voordelen hadden boven de Israëlieten, wordt ons niet gezegd, maar het schijnt dat zij krachtiger waren, want zij deden de aanval, zij streden tegen Israël, en de mannen Israëls vloden en vielen.
De beste troepen geraakten in wanorde, zeer velen sneuvelden, waarschijnlijk wel die door Saul gebruikt waren om David te vervolgen. Aldus gaan zij, die hem gevolgd en gediend hadden in zijn zonde, hem voor in zijn val, en ontvangen zij van zijn plagen.
II. Hij ziet zijn zonen vóór hem vallen. De zegevierende Filistijnen hielden het dichtst aan op de koning Israëls, en op die hem omringden. Zijn drie zonen waren waarschijnlijk het dichtst bij hem, en alle drie werden voor zijn ogen gedood, tot zijn grote smart, want zij waren de hoop van zijn geslacht, en tot zijn grote verschrikking, want zij waren nu de wachters van zijn persoon, en hij kan niet anders denken dan dat hij nu het eerst aan de beurt zal zijn.
Zijn zonen worden genoemd, vers 2, en het smart ons Jonathan onder hen te vinden, die wijzen, kloekmoedigen, Godvruchtigen man, die evenzeer Davids vriend was, als Saul zijn vijand was, hij valt met de overigen.
Plichtgevoel tegenover zijn vader veroorloofde hem niet thuis te blijven of zich terug te trekken, toen de legers slaags waren met elkaar, en Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt dat hij deelt in het lot van zijn geslacht, hoewel hij nooit in de schuld er van was betrokken zodat Elifaz' woord: wie is de onschuldige, die vergaan zij? niet opgaat, want hier was er een. Wat zullen wij er van zeggen?
1. God wilde hierdoor Sauls kwelling in zijn sterven voltooien, en het oordeel dat over zijn huis volbracht werd. Als het geslacht moet vallen dan moet Jonathan, die er toe behoort, ook vallen.
2. Hij wilde hierdoor Davids weg naar de troon effener maken. Want hoewel Jonathan zelf zijn recht er op volgaarne en goedsmoeds zou afgestaan hebben (wij hebben geen reden hier anders over te denken) zouden toch velen van het volk waarschijnlijk zijn naam hebben gebruikt, om het huis van Saul te steunen, of zij zouden tenminste slechts langzaam en schoorvoetend tot David zijn overgegaan.
Indien Isboseth (die nu thuis was gelaten als onbekwaam voor de krijg, en aldus ontkomen was) zoveel vrienden had, hoevelen zou Jonathan dan niet gehad hebben, die de lieveling van het volk was en nooit hun gunst had verbeurd? Zij, die zo begerig waren, om een koning te hebben zoals de volken, zouden geijverd hebben voor de rechte lijn, inzonderheid als hierdoor de kroon op Jonathans hoofd was gekomen.
Dit zou David hebben belemmerd, en indien het Jonathan gelukt was om al zijn invloed op David te doen overgaan, dan zou men gezegd hebben dat Jonathan hem koning heeft gemaakt, terwijl toch aan God al de eer daarvan toekwam. Dit is van de Heere geschied. Zodat de dood van Jonathan wel een grote smart zal zijn voor David, maar door hem zijn eigen broosheid te doen gedenken, alsmede door hem zijn troonsbestijging gemakkelijker te maken, zal het toch in werkelijkheid een voordeel voor hem zijn.
3. God wilde ons hiermede tonen dat het verschil tussen goed en kwaad in de andere wereld gemaakt zal worden, niet in deze. Alle ding wedervaart hun gelijk allen anderen. Wij kunnen de geestelijke en eeuwige toestand van niemand niet beoordelen naar zijn wijze van sterven, want hierin wedervaart enerlei de rechtvaardige en de goddeloze.
III. Hijzelf is zwaar gewond door de Filistijnen, en toen heeft hij zichzelf het leven benomen.
De boogschutters troffen hem, vers 3, zodat hij noch kon strijden, noch kon vluchten en dus onvermijdelijk in hun handen moest vallen. Om hem zoveel ongelukkiger te maken, komt het verderf trapsgewijze over hem, en sterft hij zo, dat hij zich voelt sterven. Hij was nu tot zo'n uiterste gebracht, dat hij:
1. Begerig was om door de hand van zijn eigen dienaar te sterven, liever dan door die van de Filistijnen, opdat zij niet de spot met hem zouden drijven, zoals zij met Simson gedaan hebben. Ongelukkige! Hij voelt zich sterven en al zijn zorg is slechts om zijn lichaam uit de handen van de Filistijnen te houden, maar niet om zijn ziel over te geven in de handen van God, die haar gaf, Prediker 12:7.
Gelijk hij geleefd heeft, zo is hij gestorven, trots en achterdochtig, een schrik voor zichzelf en voor allen, die hem omringen. Zij, die zichzelf goed begrijpen, achten het betrekkelijk van weinig betekenis, hoe het met hen is in de dood, zo het slechts wèl met hen mag wezen na de dood.
Diegenen zijn voorwaar in een zeer beklagenswaardigen toestand, die bitter bedroefd zijn van gemoed naar de dood verlangen, maar hij is er niet Job 3:20, 21, inzonderheid zij, die evenals Judas wanhopen aan de genade Gods en zich in de hel vóór hen storten, om aan de hel in hun binnenste te ontkomen.
2. Toen hij die gunst niet kon verkrijgen is hij zijn eigen scherprechter geworden, zich inbeeldende hierdoor schande te ontgaan, maar zich in een afschuwelijke zonde stortende, en daarmee een eeuwigdurend brandmerk indrukkende op zijn naam, als "felo de se-een zelfmoordenaar."
Jonathan, die de doodwonde ontving van de hand eens Filistijns en zich kloekmoedig aan het lot van de krijg heeft onderworpen, stierf op het veld van eer maar Saul stierf zoals een dwaas sterft, zoals een lafaard sterft, een trotse dwaas, een lage lafaard. Hij stierf als een man, die noch vreze Gods had noch hoop in God, noch het verstand van een man noch de Godsdienst van een Israëliet, noch de vastberadenheid van een krijgsman. Laat ons allen bidden: Heere, leid ons niet in verzoeking, in deze verzoeking.
Zijn wapendrager wilde hem niet doorsteken. en hij deed wel met het te weigeren, want niemands dienstknecht moet een slaaf zijn van zijns meesters lusten en hartstochten, van welke aard die ook zijn.
De reden opgegeven voor zijn weigering, is, dat hij zeer vreesde, niet voor de dood, want direkt daarna heeft hij zichzelf moedig de dood gegeven, maar een diepe eerbied hebbende voor de koning, zijn heer, kon hij die niet zo teboven komen, om hem enig leed toe te brengen, of misschien vreesde hij, dat zijn sidderende hand de slag maar half zou toebrengen, waardoor hij dan zijn ellende nog zou vermeerderen.
IV. Zijn wapendrager, die weigerde hem te doden, weigerde niet om met hem te sterven maar viel ook in zijn zwaard en stierf met hem vers 5.
Dit was een verzwarende omstandigheid van Sauls dood, dat hij door het voorbeeld van zijn eigen goddeloosheid in zelfmoord te plegen zijn dienaar medesleepte om zich aan dezelfde goddeloosheid schuldig te maken, en dus niet alleen in zijn ongerechtigheid is gestorven.
De Joden zeggen dat Sauls wapendrager Doeg was, die hij tot die waardigheid heeft verheven om hem er voor te belonen dat hij de priesters gedood heeft, indien dit zo is dan is zijn geweld rechtvaardig op zijn schedel neergedaald.
David had van hem voorzegd dat God hem zal afbreken in eeuwigheid Psalm 52:7.
V. Doordat Sauls leger verslagen was, geraakte het land in zo'n verwarring, dat de inwoners van de naburige steden aan deze zijde van de Jordaan ze verlieten, en de Filistijnen ze voor een tijd in bezit hadden, totdat de zaken in Israël gevestigd waren, vers 7.
In zo'n treurigen toestand heeft Saul door zijn goddeloosheid het land gebracht, dat in de hand van de onbesnedenen had kunnen blijven, indien David niet verwekt was om zijn breuken te herstellen.
Zie welk een koning hij bleek te zijn, voor wie zij God en Samuël hadden verworpen. Het is te vrezen dat zij nog waren voortgegaan kwaad te doen, zij, zowel als hij, en daarom moesten zij zowel als hun koning omkomen, gelijk als de profeet voorzegd had, Hoofdstuk 12:25.
En hiernaar wordt lang daarna verwezen, Hosea 13:10,11 Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar gij van zeidet: Geef mij een koning en vorsten? Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam hem weg in Mijn verbolgenheid, dat is: levende en stervende was hij een plaag voor u, gij kon niets anders verwachten.