Job 3:20-26
Job, bevindende dat het nutteloos was te wensen dat hij niet was geboren of gestorven was zodra hij was geboren klaagt hier dat zijn leven nog voortduurt en niet afgesneden was. Als de mensen willen twisten, er hun hart op gezet hebben, dan komt er geen einde aan, het bedorven hart blijft in dezelfde gezindheid: de dag van zijn geboorte gevloekt hebbende, verlangt hij nu naar de dag van zijn dood. Het begin van deze twist en dat ongeduld is gelijk een, die het water opening geeft.
1. Hij vindt het hard in het algemeen, dat een ellendig leven verlengd wordt, vers 20-22. Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed? Bitterheid van gemoed door geestelijke smart maakt het leven zelf bitter. Waarom geeft Hij licht? Hij bedoelt God, maar noemt Hem niet, hoewel de duivel gezegd had: "Hij zal U in Uw aangezicht vloeken", maar stilzwijgend geeft hij toch een afkeuring te kennen van de Goddelijke voorzienigheid, als zijnde onrechtvaardig en onvriendelijk, door het leven te verlengen als de geriefelijkheden en de aangenaamheden van het leven weg zijn. Leven wordt licht genoemd, omdat het aangenaam en dienstbaar is voor wandelen en werken, het is kaarslicht, hoe langer de kaars brandt, hoe korter zij wordt en hoe dichter zij bij de pijp van de kandelaar, en dus het einde, nadert. Dit licht wordt gezegd ons gegeven te zijn, want indien het ons niet dagelijks opnieuw gegeven werd, het zou spoedig verloren zijn. Maar Job acht dat het voor hen, die in ellende zijn, dooron adooron-een gave en geen gave is, een gave, die zij liever niet moesten hebben, omdat het licht slechts dient om er hun eigen ellende bij te zien. Zodanig is de ijdelheid van het menselijk leven, dat het soms een kwelling van de geest wordt, en zo veranderlijk is de eigenschap, de hoedanigheid van de dood, dat hij, hoewel verschrikkelijk voor de natuur, voor de natuur zelf begeerlijk kan worden. Hij spreekt hier van hen,
a. Die naar de dood verlangen als zij hun nuttigheid overleefd hebben, onder de last gebukt gaan van hoge jaren, zwakheden en gebreken van de ouderdom, onder pijn en ziekte, armoede en smaad, en toch komt hij niet, terwijl hij wel komt tot velen, die hem vrezen en hem verre weg van zich zouden willen doen. De duur en het einde van het leven moeten naar de wil van God wezen, niet naar onze wil. Het voegt niet dat wij geraadpleegd zouden worden hoelang wij wensen te leven en wanneer wij willen sterven, onze tijden zijn in een betere hand dan de onze.
b. Daarnaar graven zij meer dan naar verborgen schaften, dat is: alles zouden zij willen geven om weggezonden te worden uit deze wereld, waaruit men kan opmaken, dat toen de gedachte dat de mens zijn eigen scherprechter zal wezen, bij niemand opkwam en door niemand geopperd werd, want anders zouden zij, die zozeer wensten te sterven, niet zoveel moeite hebben gehad om hun wens te verkrijgen, zij zouden er zo spoedig toe kunnen komen als zij wilden (gelijk Seneca hun zegt).
c. Die hem welkom heten en blij zijn het graf te vinden en er zich in zien gaan. Indien de ellende van dit leven vermag om tegen de natuur, de dood zelf begeerlijk te maken, zullen dan niet veel meer de hoop en het vooruitzicht op een beter leven, tot hetwelk de dood ons een doortocht geeft, hem begeerlijk voor ons maken en ons boven de vrees er voor verheffen? Het kan zonde wezen om naar de dood te verlangen maar ik houd mij ervan verzekerd, dat het geen zonde is, om naar de hemel te verlangen. 2. In het bijzonder acht hij dat hij zelf hard behandeld is, daar hij van zijn pijn en ellende niet verlost kon worden door de dood, en hij toch op geen andere wijze verlichting kon verkrijgen. Aldus ongeduldig te zijn onder het leven vanwege de smarten en moeilijkheden die wij erin hebben, is niet alleen op zichzelf onnatuurlijk, maar ook ondankbaar jegens de gever van het leven, en wijst op een zondig toegeven aan onze eigen hartstochten en een zondige onbedachtzaamheid omtrent onze toekomstige staat. Laat het onze grote en voortdurende zorg zijn om bereid te wezen voor een andere wereld, en het dan aan God overlaten om de bijzonderheden van ons vertrek daarheen te regelen naar Hij het geschikt oordeelt, "Heere, wanneer en hoe het U behaagt", en dat wel met zo'n onverschilligheid, dat indien Hij ons de keus ervan liet, wij zouden zeggen: neen, Heere, maar zoals Gij het goed vindt. De genade leert ons om temidden van de grootste lieflijkheden van het leven gewillig te zijn om te sterven, en om temidden van de grootste smarten en de zwaarste kruisen gewillig te zijn om te leven.
Om zich te verontschuldigen in zijn vurig verlangen om te sterven, wijst Job op de weinige vertroosting en voldoening, die hij had in het leven.
A. In zijn tegenwoordige staat van beproeving leed hij ongemak en verdriet, en er was alle waarschijnlijkheid dat die toestand blijvend zal zijn. Hij dacht reden genoeg te hebben om het leven moede te zijn, want:
a. Hij had geen genot in zijn leven. Voor mijn brood komt mijn zuchting, vers 24. De smarten van het leven voorkwamen hetgeen het leven onderhoudt, ja zij ontnamen hem de smaak en de lust voor het nodige voedsel. Zijn pijnen kwamen even nauwkeurig tot hem als zijn maaltijden, en beproeving was zijn dagelijks brood. Ja zo hevig en scherp waren zijn pijnen, dat hij niet slechts zuchtte, maar brulde, en zijn brullingen werden uitgestort als water in één aanhoudenden, volle stroom. Onze Meester was een man van smarten, en wij moeten verwachten dat smart ons deel zal zijn.
b. Hij had geen vooruitzicht op verbetering van zijn toestand, zijn weg was verborgen, en God had hem overdekt, vers 23. Hij zag geen weg open voor redding of uitkomst, hij wist ook niet wat te doen, zijn weg was omtuind met doornen, zodat hij zijn pad niet kon vinden. Zie Hoofdst. 23:8, Klaagliederen 3:7.
B. Zelfs in zijn vorige staat van voorspoed werden voortdurend moeilijkheden gevreesd, zodat hij toen nooit gerust was, vers 25, 26. Hij wist zoveel van de ijdelheid van de wereld en het verdriet, waarvoor hij natuurlijkerwijs geboren was, dat hij nooit vei0lig was nooit rust had. Wat zijn smart nu zoveel smartelijker maakte, was dat hij zich niet bewust was, hetzij van een grote mate van verzuim of van overgerustheid ten dage van zijn voorspoed, waardoor God er toe verwekt werd om hem aldus te kastijden.
a. Hij was niet onachtzaam geweest in zijn zaken, maar was in de voortdurende vrees voor rampen of moeilijkheden, die nodig was om op zijn hoede te zijn en te blijven, hij vreesde voor zijn kinderen, als zij hun maaltijden hielden, dat zij tegen God zouden overtreden, Hoofdst. 1:5, hij vreesde voor zijn dienstknechten, dat zij iets zouden misdoen tegen zijn naburen, hij nam alle mogelijke zorg voor zijn eigen gezondheid, en bestuurde zijn zaken met alle mogelijke voorzichtigheid, maar dit alles baatte niet. b. Hij was niet overgerust geweest, had zich niet toegegeven in gemak, had niet vertrouwd op zijn rijkdom, zich niet gevleid met de hoop op het voortduren van zijn vrolijkheid, maar de moeite, de onrust kwam om hem te overtuigen van, te herinneren aan, de ijdelheid van de wereld, die hij toch niet had vergeten toen hij in welvaart leefde. Aldus was zijn weg verborgen, want hij wist niet waarom God met hem twistte. Maar deze overweging kon, inplaats van zijn leed te verzwaren, het veeleer verzachten, niets zal smart of verdriet zo verlichten als het getuigenis van ons geweten voor ons, dat wij in de dag van onze voorspoed in zekere mate onze plicht gedaan hebben, en de verwachting van verdriet zal maken, dat men het gemakkelijker draagt als het komt. Hoe minder het ons overvalt of verrast, zoveel minder zal het een verschrikking zijn.