1 Samuël 31:8-13
De Schrift maakt geen melding van de zielen van Saul en van zijn zonen, wet er na hun dood van geworden is (de verborgen dingen zijn niet voor ons), maar alleen van hun lichamen.
I. Hoe zij laaghartig door de Filistijnen mishandeld werden. De dag na de veldslag toen zij wat bekomen waren van hun vermoeienis, kwamen zij om de gesneuvelden te plunderen, en onder de overigen vonden zij de lichamen van Saul en zijn drie zonen, vers 8.
Sauls wapendrager bedoelde misschien zijn meester te eren door het voorbeeld van zijn zelfmoord te volgen, en hiermede te tonen hoezeer hij hem had bemind. Maar indien hij meer te rade was gegaan met zijn verstand dan met zijn hartstochten, hij zou dat dwaze kompliment gespaard hebben, niet alleen in gerechtigheid voor zijn eigen leven, maar ook in vriendelijkheid voor zijn meester, aan wie hij, door hem te overleven al de dienst had kunnen bewijzen, die hem na zijn dood door enige mens bewezen had kunnen worden want hij zou des nachts zijn lichaam hebben kunnen wegvoeren, evenals die van zijn zonen, om ze behoorlijk te begraven.
Maar zulke valse en dwaze denkbeelden hebben deze ijdele mensen (hoewel zij wijs willen zijn) omtrent het geven en ontvangen van eer. Ja het schijnt dat Saul zich de noodlottige slag had kunnen besparen, en dat hij had kunnen ontkomen, want de vervolgers (uit vrees voor wie hij zich het leven had benomen) kwamen niet vóór de volgende dag naar de plaats waar hij was. Maar wie God wil verderven, verdwaast Hij, beroeringen verschrikken hem van rondom. Zie Job 18:5 en verv.
Sauls lichaam vindende, (dat, nu het uitgestrekt lag op het bloedige gras, van de overigen onderscheiden kon worden door zijn lengte zoals het, toen hij nog opgericht stond, herkend werd door zijn hoogte, toen hij fier over de hoofden van de menigten heen zag), zullen zij daarin triomferen over Israëls kroon, en op armzalige wijze toegeven aan een barbaarse wraak, door het verlaten lijk te verminken van hem, voor wie zij vreesden toen hij nog in leven was.
1. Zij hieuwen zijn hoofd af. Hadden zij hiermede bedoeld zich te wreken over het afhouwen van Goliaths hoofd, dan hadden zij het hoofd moeten afhouwen van David, toen hij in hun land was, want deze heeft die daad volbracht.
Zij bedoelden het in het algemeen als een smaad voor Israël, die zich voorgesteld hadden dat een gekroond en gezalfd hoofd hen van de Filistijnen zou redden, en als een bijzondere versmaadheid voor Saul, die een hoofd groter was dan alle andere mannen (waarop hij zich misschien placht te beroemen) maar nu een hoofd kleiner was.
2. Zij togen zijn wapenen uit, vers 9, en zonden ze als een trofee van hun overwinning in het huis van Astaroth, hun godin vers 10, 1 Kronieken 10:10 hier wordt ons gezegd, hoewel dit hier niet vermeld is, dat zij zijn hoofd hechtten in het huis van Dagon.
Aldus schreven zij de eer hunner overwinning toe, niet zoals zij hadden behoren te doen, aan de werkelijke gerechtigheid van de ware God, maar aan de denkbeeldige macht van hun valse goden, en door deze eerbied betoond aan voorgewende godheden, maken zij hen beschaamd, die de eer hunner krijgsdaden niet toeschrijven aan de levende God. Astaroth, de afgod, die Israëls menigmaal heeft nagehoereerd, triomfeert nu over hen.
3. Zij zonden ijlboden door hun gehele land, en gaven bevel dat in al de huizen hunner goden de overwinning, die zij hadden behaald, bekendgemaakt moest worden, dat openbaar vreugdebetoon moest plaatshebben, en dankzegging gebracht moest worden aan hun goden.
Dit heeft David ten zeerste betreurd, 2 Samuël 1:20. Verkondigt het niet te Gath.
4. Zij lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San, vers 10, en later in vers 12:zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San, en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar. (zoals blijkt uit vers 1 aan de muur te Beth-San, een stad, die niet ver van Gilboa gelegen was, en zeer dicht bij de Jordaan. Daar werden de dode lichamen heengesleept en opgehangen in ketenen, om door de roofvogels te worden verslonden.
Saul heeft zichzelf gedood om te voorkomen dat de Filistijnen hem mishandelden, maar nooit was het lijk eens konings zó mishandeld als het zijne, wellicht nog temeer, als zij begrepen, dat hij zichzelf gedood heeft, en om die reden.
Hij, die zijn eer denkt te redden door zonde zal haar zeker verliezen. Zie tot welk een hoogte van onbeschaamdheid de Filistijnen waren gekomen, even voordat David verwekt werd, die hen volkomen tenonder heeft gebracht. Nu zij Saul en zijn zonen gedood hadden, dachten zij dat het land Israëls voor altijd het hun was, maar zij hebben spoedig hun dwang bemerkt. Als God Zijn werk door hen heeft volbracht, dan zal Hij het aan hen volbrengen. Zie Jesaja 10:6, 7.
II. Hoe zij kloekmoedig gered werden door de mannen van Jabes in Gilead. Weinig meer dan de Jordaan lag tussen Beth-San en Jabes in Gilead, en aan die plaats was de Jordaan doorwaadbaar. Een stout stuk werd dus door de dappere mannen van die stad ondernomen, in de nacht trokken zij over de rivier, namen de dode lichamen van de muur, en begroeven ze, vers 11-13. Dit deden zij:
1. Uit zorg in het algemeen voor de eer van Israël, of het land van Israël dat niet verontreinigd mocht worden door het tentoonstellen van dode lichamen, en inzonderheid van de kroon Israëls, die aldus door de onbesnedenen werd ontheiligd.
2. Uit een bijzonder gevoel van dankbaarheid jegens Saul, voor de ijver, die hij betoond had om hen te redden uit de hand van de Ammonieten, toen hij pas op de troon was gekomen, Hoofdstuk 11. Het is een blijk van een edele gezindheid, en een aanmoediging om wèl te doen als de herinnering aan een weldaad aldus bewaard wordt en in een geval van grote nood aldus wordt vergolden.
De mannen van Jabes in Gilead zouden Saul betere dienst hebben bewezen, indien zij hem hun strijdbare mannen wat eerder gezonden hadden om hem tegen de Filistijnen te versterken. Maar zijn dag was gekomen, wanneer hij moest vallen, en dit is nu al de dienst, die zij hem kunnen bewijzen ter ere van zijn nagedachtenis.
Wij bevinden niet dat er een algemene rouw bedreven werd over de dood van Saul zoals over de dood van Samuël, Hoofdstuk 25:1. Alleen werd hem bij zijn dood door deze Gileadieten eer bewezen, want: a. Zij maakten een branding voor de lichamen om ze welriekend te maken. Aldus verstaan sommigen het. Zij brandden specerijen voor hen. En dat dit de gewoonte was om aldus eer te bewijzen aan hun gestorven vrienden, of tenminste aan hun vorsten, blijkt uit het bericht van Asa's begrafenis 2 Kronieken 16:14, zij brandden over hem een gans grote branding, Anderen denken dat zij het vlees verbrandden, omdat het reeds tot bederf was overgegaan.
b. Zij begroeven de lichamen, nadat zij ze door over hen te branden, welriekend hadden gemaakt (of, indien zij ze verbrandden, dan begroeven zij de beenderen en de as) onder een boom, die tot grafsteen en gedenkteken diende.
Eindelijk. Zij vastten zeven dagen, dat is elke dag van de zeven vastten zij tot aan de avond, aldus treurden zij over de dood van Saul en de ontredderde toestand van Israël, en voegden misschien bij hun vasten gebeden voor de wederherstelling van hun staat.
Hoewel er gejuich is als de goddelozen vergaan (dat is het is te hopen, dat er nu een betere staat van zaken zal komen, wat een oorzaak is van vreugde) verplicht ons toch de menselijkheid om een betamelijke eerbied te hebben voor dode lichamen, speciaal voor die van vorsten.
Dit boek begon met de geboorte van Samuël en eindigt met de begrafenis van Saul, de vergelijking tussen die beide gebeurtenissen zal ons leren de eer te verkiezen, die van God komt, boven alle eer, waarover de wereld beweert te kunnen beschikken.