1 Samuël 28:7-14
I. Saul doet navraag naar een toveres vers 7. Indien hij, toen God hem niet antwoordde, zich verootmoedigd had door berouw en bekering, en volhard had in God te zoeken, wie weet of Hij zich niet ten laatste door hem had laten verbidden, maar geen troost ontvangende noch van de hemel, noch van de aarde, Jesaja 8:21, 22, besluit hij aan te kloppen aan de deur van de hel, om te zien of daar ook iemand is, die hem wil helpen en raden. Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft, vers 7.
Zijn knechten waren maar al te bereid om hem in die slechte zaak van dienst te zijn, direkt bevelen zij er hem een aan, die te Endor woonde (een stad, die niet ver vandaar gelegen was) en aan de uitvoering van Sauls edict ontkomen was, en hij besluit zich tot haar te wenden. Hierin kan hem ten laste worden gelegd:
1. Minachting van de God Israëls, alsof enig schepsel hem helpen kan, als God hem heeft verlaten en vertoornd op hem is.
2. In tegenspraak te zijn met zichzelf. Hij kende de snoodheid van de zonde van toverij, anders zou hij hen niet uitgeroeid hebben, die een waarzeggende geest hadden, toch neemt hij nu de toevlucht tot datgene als een godsspraak, wat hij tevoren veroordeeld heeft als een verfoeisel.
Gewoonlijk zullen de mensen uitvaren tegen zonden, die zij niet in verzoeking zijn te bedrijven, maar er zich later toch door laten overwinnen.
Als iemand aan Saul, toen hij verderf bracht over de tovenaars, gezegd had dat hij weldra een van hen zal raadplegen, hij zou met Hazaël gezegd hebben: Wat! is uw knecht een hond? Maar wie weet in welk kwaad zij zich nog zullen storten die God verlaten en door Hem verlaten zijn.
II. Horende van ene, haast hij zich tot haar, maar gaat des nachts, vermomd, en slechts van twee dienaren vergezeld, waarschijnlijk te voet, vers 8. Zie, hoe diegenen door Satan gevangen worden geleid, die genoodzaakt zijn:
1. Zich te verkleinen. Nooit had Saul zo'n min aanzien als toen hij naar een ellendige heks sloop, om van haar te weten te komen wat hem zal wedervaren.
2. Te veinzen. Boze werken zijn werken van de duisternis, en zij haten het licht, en willen tot het licht niet komen. Saul ging tot de toveres, niet in zijn koninklijk gewaad, maar in het kleed van een gewoon krijgsman, niet alleen, omdat de toveres zelf, als zij hem gekend had, geweigerd zou hebben hem te dienen, hetzij uit vrees dat hij gekomen was om haar te verschrikken, of om zich op hem te wreken wegens zijn edict tegen hen, die van haar beroep waren, maar ook uit vrees dat zijn volk het zou te weten komen, en er hem om zou verafschuwen. Zodanig is de kracht van het natuurlijke geweten, dat zij zelfs, die kwaad doen, blozen en er zich om schamen.
III. Hij geeft haar te kennen wat hij van haar begeert, en belooft haar straffeloosheid. 1. Al wat hij van haar verlangt is, dat zij iemand van de doden zal doen opkomen, met wie hij een gesprek wil voeren. Dit was toverij of waarzeggerij door de doden, waardoor hij zijn doel hoopte te bereiken, maar het was uitdrukkelijk verboden door de wet, Deuteronomium 18:11, "Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt", , Jesaja 8:19:"Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen, zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?", vers 8.
Dit veronderstelt dat algemeen aangenomen werd, dat de zielen na de dood blijven bestaan, en dat er, als de mensen sterven, nog geen einde aan hen is, het veronderstelt ook dat aan de afgescheiden zielen een grote kennis werd toegeschreven.
Maar het is ongerijmd te denken, dat een, Godvruchtige ziel op de wenk van een boze geest zou opkomen, of dat God, die aan iemand het voorrecht van Zijn eigen inzettingen had ontzegd, hem zou toelaten enig wezenlijk voordeel aan een gevloekte duivelskunstenarij te ontlenen.
2. Zij geeft haar vrees te kennen voor de wet, en haar vermoeden, dat deze vreemdeling was gekomen om haar in een strik te lokken, vers 9 Gij weet, wat Saul gedaan heeft.
Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat aan Saul zijn edict tegen toveressen werd voorgehouden op het ogenblik, dat hij er een raadpleegde, ter meerdere verzwaring van zijn zonde. Zij blijft wijzen op het gevaar dat zij loopt door de wet, misschien wel om haar prijs te verhogen, want hoewel er geen melding wordt gemaakt van het loon dat zij ontving, heeft zij het toch ongetwijfeld geëist, en wel een zeer ruim loon.
Let er op hoe bewust zij zich is van het gevaar, waarin zij verkeerde door Sauls edict, en hoe grote zorg zij droeg om er zich voor te behoeden, maar hoegenaamd geen besef heeft van de verplichtingen van Gods wet en de verschrikkingen van Zijn toorn. Zij bedenkt wat Saul gedaan heeft, niet wat God gedaan heeft, tegen zulke praktijken en vreest meer dat haar een strik gelegd wordt om haar het leven te doen verliezen, dan dat haar een strik gelegd wordt om haar ziel te verderven. Zondaars zijn meer bevreesd voor straf van mensen dan voor Gods rechtvaardig oordeel. Maar:
3. Sauls belooft onder ede haar niet te zullen verraden, vers 10.
Het was zijn plicht als koning haar te straffen, en hij wist dit, en toch zweert hij het niet te zullen doen, alsof hij door zijn eed zich kon verbinden om niet te doen, wat hij door Gods gebod gehouden en verplicht was te doen. Maar hij beloofde meer dan hij kon volbrengen, toen hij zei: geen straf zal u om deze zaak overkomen, want hij kon zichzelf niet en nog veel minder haar beveiligen tegen de wraak Gods.
IV. Samuël, die onlangs gestorven is, is de persoon met wie Saul wenst te spreken, en door haar toverijen voldoet de toveres aan zijn begeerte, en brengt hen tezamen.
1. Zodra Saul aan de toveres de verzekering heeft gegeven dat hij haar niet verraden zal, legde zij zich toe op haar toverij en vroeg zeer vertrouwelijk: Wien zal ik u doen opkomen? vers 11. Hoop op straffeloosheid maakt dat de zondaars stoutmoedig voortgaan op hun bozen weg en verhardt hun hart.
2. Saul verlangt met Samuël te spreken, Doe mij Samuël opkomen. Samuël had hem gezalfd tot het koninkrijk, en was vroeger zijn getrouwe vriend en raadsman geweest, en daarom wenste hij hem nu te raadplegen.
Toen Samuël te Rama woonde, dat niet ver was van Gibea Sauls, en er de profetenschool bestuurde, lezen wij nooit dat Saul tot hem was gegaan om hem te raadplegen voor enige moeilijkheden, waarin hij zich bevond, het zou zeer goed voor hem geweest zijn, als hij het gedaan had, toen heeft hij hem veronachtzaamd, en hem misschien gehaat, menende dat hij Davids belangen was toegedaan, maar nu hij gestorven is-"0 ware Samuël nog maar in leven! Doe mij Samuël opkomen.
Velen, die Gods heiligen en dienstknechten verachten en vervolgen als zij in leven zijn, zouden blijde wezen hen terug te hebben als zij gestorven zijn. Zend Lazarus tot mij, en zend Lazarus tot mijns vaders huis, Lukas 16:24, 27. De graven van de rechtvaardigen worden versierd.
3. Hier is een schijnbare uitlating of gaping in het verhaal. Saul zei: Doe mij Samuël opkomen en de woorden, die hier onmiddellijk op volgen, zijn: Toen nu de vrouw Samuël zag, vers 12, terwijl men verwacht zou hebben dat er gezegd zou worden, hoe zij daarbij te werk ging, welke bezweringen en toverkunsten zij gebruikte, iets meegedeeld zou zijn van wat zij zei en deed, maar het diepe stilzwijgen van de Schrift hieromtrent verbiedt ons "de diepten des satans" te willen kennen, Openbaring 2:24, of onze nieuwsgierigheid te willen bevredigen met een mededeling van de verborgenheden van de ongerechtigheid.
Men heeft van de boeken van sommige biechtvaders in de Roomse kerk gezegd, dat zij door hun beschrijvingen van zonde de mensen geleerd hebben haar te bedrijven, maar de Schrift verbergt zondige kunst, opdat wij "onnozel in het kwade" zullen zijn, Romeinen 16:19. o
4. Op het gezicht van de verschijning bespeurde de toveres dat de cliënt Saul was, de geest, met wiens hulp zij werkte, heeft er haar waarschijnlijk van onderricht, vers 12. Waarom hebt gij mij bedrogen? met een vermomming, want gij zijt Saul, de man, voor wie ik meer dan voor ieder ander bevreesd ben!"
Aldus gaf zij aan Saul de kracht te verstaan van haar kunst, daar zij hem niettegenstaande zijn vermomming herkende, en toch vreesde zij, dat hij haar, later tenminste, zou straffen voor wat zij nu deed.
Indien zij geloofd had dat het werkelijk Samuël was, die zij zag, zij zou meer reden hebben gehad voor hem bevreesd te zijn, die een goed profeet was, dan voor Saul, die een goddeloze koning wast Maar de meeste mensen vrezen de toorn van aardse vorsten meer dan de toorn van de Koning van de koningen. 5. Saul (die naar wij kunnen onderstellen in de naaste kamer op een afstand gehouden werd) zei haar niet bevreesd voor hem te zijn, maar voort te gaan met hetgeen zij deed, en vroeg haar wat zij zag, vers 13.
O, zegt de vrouw, ik zie goden uit de aarde opkomende, dat is: een geest, zij noemden engelen goden, omdat het geestelijke wezens zijn.
Armzalige goden, die opkomen uit de aarde! Maar zij spreekt de taal van de heidenen, die hun helse godheden hadden en deze vereerden.
Indien Saul het nodig had geacht voor zijn gesprek met Samuël, dat het lichaam van Samuël uit het graf opgeroepen zou worden, hij zou de toveres meegenomen hebben naar Rama, waar zijn graf was, maar de bedoeling gold alleen zijn ziel, die echter, zo zij zichtbaar werd verwacht werd in de gewone gelijkenis te verschijnen van zijn lichaam, en God heeft het de duivel toegelaten aan het doel te beantwoorden, Samuëls gestalte aan te nemen, opdat zij, die de liefde van de waarheid niet hebben aangenomen, aan een kracht van de dwaling zullen overgegeven worden, dat zij de leugen zouden geloven.
Dat het niet de ziel van Samuël zelf kon zijn, konden zij gemakkelijk begrijpen toen zij opkwam uit de aarde, want "de geest des mensen" en nog zoveel te meer van een Godvruchtigen mens "gaat opwaarts", Prediker 3:21.
Maar als de mensen bedrogen willen zijn, dan is het rechtvaardig in God om te zeggen: "Laat hen bedrogen worden." Dat de duivel onder toelating Gods Samuël zou voorstellen, is niet vreemd, daar hij zich veranderen kan in een engel des lichts, en het is ook niet vreemd dat het hem toegelaten werd om het bij deze gelegenheid te doen, opdat Saul tot wanhoop zou worden gedreven door de duivel te vragen, daar hij niet op de rechte wijze de Heere heeft willen vragen, waardoor hij troost had kunnen verlangen.
Toen Saul vernam dat er goden opkwamen, was hij zeer begerig te weten wat de gestalte van zijn godheid was, en in welke vorm zij verscheen, zo verre was hij van er enigerlei schrik of afschuw van te gevoelen daar zijn hart allerongelukkigst verhard was door de bedriegelijkheid van de zonde.
Het schijnt dat het aan Saul niet vergund was om zelf enige gelijkenis te zien, maar dat hij de vrouw op haar woord moest geloven, dat zij een oud man zag, met een mantel bekleed, het gewaad van een rechter, dat Samuël soms gedragen heeft, en sommigen denken dat het hierom was en wegens de majesteit van zijn voorkomen, dat zij deze verschijning Elohim, een god of goden noemde, want aldus worden magistraten genoemd, Psalm 82:1.
6. Aan de beschrijving, die de vrouw van de verschijning gaf, bemerkte Saul dat het Samuël was, en toen neigde hij zich met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich, wat, zoals algemeen aangenomen wordt, uit eerbied voor Samuël, hoewel hij hem niet zag, of misschien om te luisteren naar de zachte, mompelende stem, die hij nu verwachtte te horen, want zij, die een waarzeggenden geest hadden, piepten en mompelden binnensmonds, Jesaja 8:19, en Saul boog zich (waarschijnlijk volgens de aanwijzing van de vrouw) om te horen wat gefluisterd werd, en er oplettend naar te luisteren, want de stem van een, die een waarzeggenden geest heeft, wordt gezegd uit de aarde te spreken, uit het stof voort te komen, Jesaja 29:4. Daarnaar wilde hij zich buigen, die niet wilde buigen voor het woord van God.