1 Samuël 25:32-35
"Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud", Spreuken 25:12.
Abigail was een wijze bestrafster van Davids drift, en hij leende een horend oor aan de bestraffing, overeenkomstig zijn eigen grondbeginsel, Psalm 141 : "De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn". Nooit werd zo'n vermaning beter gegeven, of beter aangenomen.
1. David dankt God, dat Hij hem zo'n gelukkige belemmering gezonden heeft op een zondigen weg, vers 32. Gezegend zij de HEERE, de God Israëls, die u te dezen dage mij tegemoet gezonden heeft! God moet erkend worden in al de goedheid en weldadigheid, die onze vrienden ons naar ziel en lichaam bewijzen.
In wie het zij, die ons tegemoet komt met raad, leiding, vertroosting, waarschuwing of tijdige bestraffing, wij moeten God zien, die hem zendt. Wij behoren zeer dankbaar te wezen voor die gelukkige leidingen van Gods voorzienigheid die het middel zijn om ons terug te houden van zonde.
2. Hij betuigt Abigail dank, omdat zij zich zo te juister tijd kwam stellen tussen hem en het kwaad, dat hij ging doen. En gezegend zij uw raad, en gezegend zijt gij, vers 33. De meeste mensen achten het voldoende, dat zij geduldig bestraffing aanhoren, maar wij ontmoeten weinigen, die haar in dank aannemen en hen zullen loven, die ze hun geeft, en haar aannemer als een gunst. Abigail was er niet meer verheugd om, dat zij het middel was geweest om haar man en haar gezin van de dood te redden, dan David zich verheugde, dat zij het middel was geweest om hem en zijn mannen voor zonde te bewaren.
3. Hij scheen zeer onder de indruk van het grote gevaar, waarin hij geweest is, hetgeen de zegen van zijn redding nog verhoogde.
a. Hij spreekt van die zonde, als zijnde zeer groot. Hij is gekomen om bloed te vergieten, een zonde, waarvan hij een grote afschuw had getuige zijn gebed: Verlos mij van bloedschulden. Hij was gekomen, om zich met zijn eigen hand te wreken, vers 33,, en dat is zich op Gods troon te plaatsen, die gezegd heeft: "ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods", Jesaja 35:4.
Hoe snoder een zonde is, hoe groter de genade is, die er ons van terughoudt. Hij schijnt het kwaad van zijn voornemen hiermede te verzwaren, dat het een kwaad zou zijn geweest voor zo wijs en goed een vrouw als Abigail was, het is zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, Die mij verhinderd heeft, van u kwaad te doen vers 34. Of misschien heeft hij op het eerste gezicht van Abigail de bewustheid gehad van haar kwaad te willen doen, omdat zij hem poogde tegen te staan, en daarom acht hij het een grote genade, dat God hem geduld heeft gegeven om haar aan te horen.
b. Hij zegt dat het gevaar van te vallen in die zonde zeer nabij was, ten ware dat gij u gehaast hadt, de bloedige daad zou volbracht zijn geworden. Hoe naderbij wij waren om een zonde te bedrijven, hoe groter genade het is, dat wij er tijdig van teruggehouden werden. "Bijna uitgeweken", Psalm 73:2, en toch staande gehouden. 4. Hij zond haar weg met een antwoord des vredes, vers 35. Hij erkent zich overwonnen door haar welsprekendheid, ik heb naar uw stem gehoord, en zal mijn voorgenomen wraak niet volvoeren, want ik heb uw aangezicht aangenomen, ik heb een welbehagen in u en hetgeen gij gezegd hebt."
Wijze en goede mensen zullen naar rede luisteren en er zich doorlaten leiden, al komt zij ook tot hen door personen, die in alle opzichten hun minderen zijn, en al is ook hun drift gaande gemaakt en hun gemoed getergd. Eden kunnen ons niet verbinden tot hetgeen zondig is. David had plechtig de dood gezworen van Nabal, hij deed kwaad met dit te zweren, maar hij zou erger gedaan hebben met zijn eed te houden.
Een verstandige en getrouwe bestraffing wordt dikwijls beter opgenomen, en heeft een betere uitwerking, dan wij verwachten, "Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden", Spreuken 28:23.