1 Samuël 21:10-15
David, hoewel verkoren koning, is hier een balling, bestemd om over grote schatten te beschikken, heeft hij nu echter om brood moeten vragen, gezalfd voor de kroon, en toch nu genoodzaakt uit zijn land te vluchten. Aldus schijnen de wegen van Gods voorzienigheid soms in strijd met Zijn beloften, ter beproeving van het geloof Zijns volks en ter verheerlijking van Zijn naam in de vervulling van Zijn raadsbesluiten, in weerwil van de moeilijkheden, die in de weg liggen. Hier is:
1. Davids vlucht naar het land van de Filistijnen waar hij hoopte verborgen te kunnen zijn, en onbekend aan het hof en in het leger van Achis, koning van Gath, te kunnen verwijlen, vers 10.
Israëls lieveling is genoodzaakt Israëls land te verlaten, en hij, die de grote vijand was van de Filistijnen, gaat (ik weet niet uit welke drijfveren) een schuilplaats onder hen zoeken. Nu schijnt het dat gelijk de Israëlieten hem liefhebben, maar de koning Israëls hem een persoonlijker haat toedraagt, waardoor hij genoodzaakt werd zijn eigen land te verlaten, de Filistijnen hem hebben gehaat, ofschoon de koning van Gath een persoonlijke genegenheid voor hem heeft, daar hij zijn verdiensten op prijs stelde, misschien wel te meer om zijn doden van Goliath van Gath, die mogelijk geen vriend van Achis is geweest.
Tot hem heeft David zich nu rechtstreeks begeven als tot iemand in wie hij vertrouwen kon stellen, (zoals later, Hoofdstuk 27:2, 3,), en Achis zou hem nu beschermd hebben, als hij niet gevreesd had zijn eigen volk er misnoegd om te maken.
Gods vervolgd volk heeft dikwijls een betere behandeling ondervonden van Filistijnen dan van Israëlieten, in de schouwburgen van de heidenen dan in de synagogen van de Joden.
De koning van Juda zette Jeremia gevangen, en de koning van Babylon stelde hem in vrijheid.
2. De ergernis, die de knechten van Achis namen aan zijn tegenwoordigheid aldaar en hun klacht dieswege tot Achis, vers 11.
"Is deze niet David? is deze het niet, die getriomfeerd heeft over de Filistijnen?" Getuige het refrein van het lied, waarvan zoveel gesproken werd: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?
Ja meer, is hij het niet, die (zo onze berichten uit het land Israëls waar zijn) koning des lands is of zijn zal? Als zodanig moet hij een vijand zijn van ons land, en is het veilig of recht voor ons om zo'n man gastvrijheid te verlenen en te beschermen?"
Achis had hun misschien te kennen gegeven dat het staatkundig zou wezen David gastvrijheid te verlenen, omdat hij nu een vijand was van Saul, en dan later hun vriend zou zijn, gewoonlijk worden de vogelvrijverklaarden van een volk beschermd door de vijanden van dat volk. Maar de knechten van Achis hadden bezwaren tegen zijn staatkunde, en achtten het volstrekt ongepast dat David onder hen zou verblijven. 3. De angst, die dit David aanjoeg. Hoewel hij reden had om vertrouwen te stellen in Achis, begon hij, toen hij bemerkte dat de knechten van Achis hem wantrouwden, te vrezen dat Achis genoodzaakt zou zijn, hem aan hen over te leveren, en hij was zeer bevreesd, vers 12 , misschien was hij zich te meer bewust van zijn gevaar als hij ontdekt werd, omdat hij Goliaths zwaard droeg dat, naar wij kunnen onderstellen, te Gath welbekend was, en waarmee zij, naar hij reden had te verwachten, zijn hoofd zouden afhouwen, zoals hij er Goliaths hoofd mee afgehouwen heeft.
David leerde nu bij ervaring wat hij ons geleerd heeft in Psalm 118:9, "Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen". De grote lieden zijn leugen, en als wij hen tot onze hoop maken, dan blijken zij onze vreze te zijn.
Toen was het, dat David de zes en vijftigsten psalm dichtte, (Michtam, een gouden kleinood) als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath, en daarom, vers 12, ik zal niet vrezen, wat zou mij de mens doen, neen zelfs de zonen van de reus niet.
4. Wat hij deed om uit hun handen te komen. Hij veinsde waanzinnig te zijn, vers 13. Hij gebruikte de manieren en gebaren van een krankzinnige, iemand die zijn verstand had verloren, onderstellende dat zij geredelijk genoeg zouden geloven dat de ongenade, waarin hij gevallen was, en de moeilijkheden, waarin hij zich nu bevond, hem buiten zijn zinnen hadden gebracht.
Deze zijn veinzerij kan niet gebillijkt worden, het was laag om zich aldus te verkleinen, onbestaanbaar met de waarheid om aldus een verkeerde voorstelling van zich te geven, en betaamde dus niet aan de eer en oprechtheid van zulk een man als David was.
Toch was het geen bepaalde leugen, eerder een krijgslist, waarmee hij zijn vijanden misleidde ten einde zijn leven te redden. Wat David hier voorwendde tot zijn veiligheid, waardoor het ten dele verontschuldigd kan worden, doen dronkaards in werkelijkheid, en alleen om een lagen lust te bevredigen, zij stellen zich aan als waanzinnigen, veranderen hun gedrag en houding, hun woorden en daden zijn of even dom en bespottelijk als van een idioot, of even woest als van een krankzinnige zodat ik mijzelf dikwijls afgevraagd heb, hoe het mogelijk is dat mannen van eer en gezond verstard zich er in kunnen toegeven,
5. Hoe hij door dit middel ontkwam, vers 14, 15. Ik ben geneigd te denken dat Achis wel begreep, dat die waanzin slechts voorgewend was, maar David willende beschermen (gelijk wij hem later zeer vriendelijk voor David zullen zien, zelfs toen de vorsten van de Filistijnen hem niet gunstig gezind waren, Hoofdstuk 28:1, 2, 29:6) wendde hij tegenover zijn knechten voor dat hij hem wezenlijk voor krankzinnig hield, en daarom reden had te twijfelen, of het David wel was.
Indien hij het was, dan behoefden zij hem niet te vrezen, welk kwaad kon hij hun doen, nu hij zijn verstand had verloren? Zij vermoedden dat Achis hem bij zich wilde houden.
"Volstrekt niet", zegt hij, "het is een waanzinnige. Ik wil niets met hem van doen hebben, gij behoeft niet te vrezen dat ik hem in mijn dienst zal nemen, of hem zal steunen.
Heb ik razenden gebrek, dat gij dezen gebracht hebt, om voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen? Ik zal hem geen weldadigheid bewijzen, maar dan zult gij hem ook geen kwaad doen, want, zo hij waanzinnig is, is hij te beklagen". Daarom joeg hij hem weg zoals het opschrift van Psalm 34 vermeldt welke psalm David bij die gelegenheid heeft geschreven, en een voortreffelijke psalm is het, die aantoont dat hij zijn geest niet heeft veranderd, toen hij zijn gelaat heeft veranderd, maar dat in zijn grootste moeilijkheden "zijn hart vast was, betrouwende op de HEERE", Psalm 112:7 en hij besluit die psalm met de verzekering dat "allen, die op God vertrouwen, niet verwoest of verlaten zullen worden", al kunnen zij ook, zoals hij nu was, eenzaam en in benauwdheid zijn, vervolgd, maar niet verlaten.